![]() Associatief netwerk voor een Taks op financiële Transacties
en voor het Aansterken van de Civiele maatschappij |
||
|
Beginpagina
Zand in de Machine
ZidM > 2001-2008
Het Europees Hervormingsverdrag: een kopie van het Ontwerp van Europese Grondwet
|
||
Het Europees Hervormingsverdrag: een kopie van het Ontwerp van Europese Grondwet> Attac - gepubliceerd op 6 november 2007Op 5 oktober heeft de Intergouvernementele Commissie van de Europese Unie de laatste versie van het ontwerp voor een Europees Hervormingsverdrag gepresenteerd. Dat ontwerp betreft de twee voornaamste Europese verdragen: het Verdrag over de Europese Unie en het Verdrag dat de Europese Gemeenschap opricht. Dat laatste zal dan “Verdrag over de werking van de Europese Unie” heten. Het Hervormingsverdrag werd op de Europese top van 18 en 19 oktober formeel aangenomen. Op 13 december zal het door de 27 leden van de Europese Unie ondertekend worden. Vervolgens zal het ter ratificatie voorgelegd worden. Die procedure zou voor de Europese verkiezingen van juni 2009 moeten zijn afgehandeld. Het ontwerp van het Hervormingsverdrag bevat meerdere honderden pagina’s met 297 wijzigingen van de bestaande verdragen. Verder zijn er nog twaalf protocollen en enkele tientallen ontwerpen van verklaringen, die allemaal dezelfde juridische waarde hebben als de verdragen. Dat geheel van teksten verwijst voortdurend naar de bestaande verdragen. Vanzelfsprekend is het daardoor voor gewone mensen totaal onleesbaar. Eigenlijk zou men die verdragen moeten kunnen lezen zoals ze er zouden uitzien eens dat ze effectief zijn gewijzigd. Maar die teksten werden niet gepubliceerd. Een analyse, artikel per artikel, van de ontwerpen van gewijzigde verdragen toont aan dat het Hervormingsverdrag ongeveer integraal het ontwerp van Grondwet overneemt. Nochtans hebben de Franse en Nederlandse kiezers die ontwerpgrondwet in de lente van 2005 met respectievelijk ongeveer 55% en 62% verworpen, en dit nadat die kiezers zich op een uitzonderlijke wijze bij het politieke debat betrokken hadden betoond. Het is waar dat de term Grondwet niet meer voorkomt. Daardoor krijgt de tekst een kleinere symbolische waarde, zeker nu er ook geen sprake meer is van Europees hymne noch van een Europese feestdag. Toch valt het al van bij de preambule op dat er in feite niets veranderd is. Inderdaad, een toevoeging bevestigt, net zoals in 2005, de essentiële rol van de “religieuze erfenis” in de ontwikkeling van onze universele waarden. Een onaanvaardbare uitdrukking voor wie gehecht is aan het principe van scheiding tussen kerk en staat en voor wie de historische realiteit wil respecteren. Al wat volgt is navenant. Even een en ander toelichten: Het Verdrag dat de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opricht, beter bekend onder de naam van Verdrag van Rome (ondertekend in 1957) is vandaag nog altijd in voege in een alles omvattende versie, die dus ook de wijzigingen inhoudt van de latere verdragen. Het Verdrag van Maastricht (1992) bevat, behalve een updating van het Verdrag van Rome, ook een aantal nieuwe artikels, die opgesomd worden met de letters A tot S. Het zijn die artikels die gehergroepeerd en genummerd werden in het Verdrag van Amsterdam (1997) en nu het verdrag van de Europese Unie (EU) vormen. Dat laatste bevat, sinds het Verdrag van Nice (2001) 53 artikels, terwijl het Verdrag van Rome, waaruit men in de titel het adjectief ‘economisch’ heeft geschrapt (EEG werd dus EG), er 314 telt. Aan die twee Verdragen (EU en EG) moet het Euratom (het Verdrag dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie opricht) worden toegevoegd, dat in 1957 werd ondertekend, én de 54 artikelen van het Charter van de fundamentele Rechten (2000). Een van de weinige voordelen van het ontwerp voor Europees Grondwettelijk Verdrag (EGV) was juist dat het de verdragen betreffende de EU, EG en het Charter in één enkele tekst bij elkaar bracht. Daardoor kreeg je tenminste een redelijk leesbaar en begrijpelijk geheel, zelfs al bevatte het in totaal 448 artikelen. De Fransen en de Nederlanders hebben het trouwens zo goed gelezen en begrepen dat ze het verworpen hebben. De Europese leiders hebben hun lesje geleerd. Ze hebben ons dan ook een Hervormingsverdrag gepresenteerd, dat al even onleesbaar is als de verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice. Om de afkortingen te verstaan die we hierna zullen gebruiken: VEU, het Verdrag over de Europese Unie in zijn nieuwe vorm, ofte Hervormingsverdrag. VFEU, het Verdrag over de werking van de Europese Unie, zijnde de nieuwe naam van het Verdrag van Rome. EGV: Europees Grondwettelijk Verdrag (het ontwerpverdrag uit 2004-2005, dat de Fransen en de Nederlanders verworpen hebben). Concurrentie In de pers hebben ze veel poeha gemaakt over het succes dat Nicolas Sarkozy zou hebben geboekt doordat hij de uitdrukking “vrije en onvervalste concurrentie” heeft te laten schrappen als doelstelling van de Unie. Akkoord, het gaat inderdaad om een symbolische overwinning van Franse en Nederlandse burgers. Symbolische overwinningen zijn niet te verwaarlozen. Ze legitimeren de strijd. Maar zal dat ook enig concreet gevolg hebben? Het principe van de vrije concurrentie blijft aanwezig in talrijke artikels van het verdrag. Bij voorbeeld in het artikel 105 dat behouden bleef in het VFEU (en dat ook al in het EGV stond) en dat “het principe van een open vrijemarkteconomie waar de concurrentie vrij is” bevestigt. Bovendien maakt dat artikel de kern uit van de Europese wetgeving die nog altijd in voege is en blijft, ondermeer in verband met de liberalisering van de openbare diensten. En ten slotte, om elke verkeerde interpretatie te vermijden, herinnert de protocol nr. 6 er klaar en duidelijk aan dat het principe toepasselijk blijft: “de interne markt, zoals die omschreven wordt in artikel 3 van het Verdrag over de Europese Unie, omvat een systeem dat er borg voor staat dat de concurrentie niet vervalst wordt.” Dat artikel 3 gaat over de doelstellingen van de Unie. Aldus werd die ‘onvervalste concurrentie’, die zogezegd verdwenen was, opnieuw in de doelstellingen van de Unie geïntroduceerd. Opdat men goed zou begrijpen dat het niet om een theoretische doelstelling gaat, vermeldt protocol nr. 6 dat wat dat betreft “De Unie indien noodzakelijk, de maatregelen zal treffen in het kader van wat de verdragen voorschrijven.” Het is dus duidelijk. De kracht van het recht op concurrentie blijft dezelfde. Het gaat om het recht van de Unie om die concurrentie te organiseren. Dat is een normatief recht. Een waarachtig ‘constitutioneel’ recht dus, dat in het merendeel van de gevallen de andere Europese teksten herleidt tot intentieverklaringen zonder enige praktische draagwijdte. Handelspolitiek/ kapitaalverker De handelspolitiek van de Unie heeft zich als doel gesteld “de integratie van alle landen in de wereldeconomie [te] bevorderen, met inbegrip van de geleidelijke opheffing van de hinderpalen voor de internationale handel” (nieuw artikel 10A VFEU, opnieuw opgenomen in het EGV). Verder dan de veralgemeende vrijhandel reikt de horizont van het gezamenlijke Europees beleid niet. Die doelstelling is nog steviger geformuleerd in het artikel 188 B van het VFEU. Dat artikel preciseert dat de Unie “bijdraagt tot (...) de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de internationale handelsbetrekkingen en van de rechtstreekse investeringen, evenals van de verlaging der douanerechten en andere hindernissen.“ Dit artikel, overgenomen uit het EGV, wijzigt de oorspronkelijke tekst in de zin van een nog grotere liberalisering: de rechtstreekse buitenlandse investeringen en “de andere hindernissen” stonden er eerst niet in. Die laatste uitdrukking verwijst naar “niet-tarifaire belemmeringen van de handel”, zoals milieunormen of de bescherming van de consumenten, die speciaal geviseerd worden door de liberaliseringsmaatregelen van ondermeer de WHO (Wereldhandelsorganisatie) en de bilaterale vrijhandelsakkoorden. De pest of de cholera? Die “doelstellingen van de Unie” duiken voor het eerste op in het Verdrag van Maastricht en zijn herhaaldelijk gewijzigd geworden. In verband met die doelstellingen, luidt het artikel 3-2 van het EGV als volgt: “De Unie verschaft haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zonder binnengrenzen, en een interne markt waar de vrije concurrentie niet vervalst wordt.” En hier volgt de nieuwe versie, die trouwens in niets afwijkt van het Verdrag van Amsterdam uit 1997: “De Unie verschaft haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zonder binnengrenzen, waarbinnen de vrije circulatie van personen wordt verzekerd, samen met aangepaste maatregels betreffende de controle aan de buitengrenzen, in verband met asiel en immigratie, alsook met de preventie van en strijd tegen de misdaad.” De jacht op de mensen zonder papieren was het EGV natuurlijk niet onbekend. Ze staat vermeld in het deel III. Maar nu wordt ze opnieuw bevorderd tot doelstelling van de Unie, op hetzelfde niveau als de vrije, niet vervalste concurrentie. Het wordt moeilijk om een keuze te maken tussen deze twee kwalen. Nochtans is er eenparigheid van stemmen van de lidstaten vereist als het gaat om handelsakkoorden af te sluiten op “het terrein van culturele en audiovisuele diensten wanneer dergelijke akkoorden de culturele en taalkundige diversiteit van de Unie dreigen aan te tasten” en “op het terrein van de handel in diensten op sociaal en opvoedkundig gebied en wat de gezondheidszorg betreft, wanneer dergelijke akkoorden de organisatie van die diensten op nationaal niveau ernstig dreigen te verstoren.” Het komt het Hof van Justitie toe om uit te maken of dat al dan niet het voorwerp kan uitmaken van een vetorecht vanwege de lidstaten. Het Hervormingsverdrag raakt natuurlijk niet aan de vrije verkeer van het kapitaal, niet alleen tussen de lidstaten onderling, maar ook met derde landen (art. 56 FVEU of 156 EGV). Verder blijft unanimiteit vereist voor elke maatregel die bedoeld zou zijn om de liberalisering van de kapitaalbewegingen te beperken (art. 57-3 FVEU of 157-3 EGV). Rol van de ECB/ economische politiek De prijsstabiliteit maakt nu deel uit van de doelstellingen van de Unie (art. 3 VEU gewijzigd heropgenomen in de EGV), terwijl dat voorheen niet zo was. Prijsstabiliteit was gewoon een doelstelling van de Europese Centrale Bank (ECB), opgenomen in artikel 105 van het verdrag waarmee de Europese Gemeenschap werd opgericht. Die doelstelling werd herbevestigd in minstens drie artikels van het VFEU, die kopies zijn van het EGV. Die toevoegingen veranderen natuurlijk niets aan de doelstellingen van de Unie, maar ze zijn wel symbolisch. Vanzelfsprekend werd de onafhankelijkheid van de ECB gehandhaafd (art. 108 FVEU of 188 EGV). Zij heeft maar één doel, namelijk de prijsstabiliteit te bewaren, dat in tegenstelling tot andere centrale banken van de rijke landen. Verklaring 15 beveelt de versteviging van de competitiviteit aan. Ze zet aan “tot een herstructurering van de overheidsontvangsten en -uitgaven, en dat met eerbiediging van de budgettaire discipline zoals die is vastgelegd in de verdragen en in het Stabiliteits- en groeipact”. Ze stelt als doel “geleidelijk aan te komen tot een begrotingsoverschot in periodes van gunstige conjunctuur”. Kortom, het gekende neoliberale dogma, bezwaard met de doelstelling om begrotingsoverschotten te realiseren. Veiligheids- en defensiepolitiek De gemeenschappelijke defensiepolitiek van de Unie wordt alleen bekeken in het kader van de NAVO. De banden met de NAVO worden versterkt. De huidige formulering (art. 17-4, VEU) stelt dat samenwerking in het kader van de NAVO alleen maar kan “voor zover deze samenwerking niet in tegenspraak is met de politiek zoals ze is uitgestippeld in de huidige bepalingen of voor zover ze die niet belemmert”. Deze nieuwe formulering koppelt de toekomstige Europese defensiepolitiek nog nauwer aan de NAVO: “De verbintenissen en de samenwerking op dat gebied blijven in overeenstemming met de verbintenissen die onderschreven werden in de schoot van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, die voor de lidstaten de grondslag blijft van hun collectieve verdediging en ook de instantie blijft die ze uitvoert.” (toekomstig artikel 27-7 VEU overgenomen van 41-7 EGV en opnieuw bevestigd door Protocol nr.4). Het militarisme wordt officieel aangemoedigd: “De lidstaten verbinden er zich toe om geleidelijk aan hun militaire slagkracht te verbeteren” (toekomstig art. 27-3 VEU overgenomen van het EGV). Dat moet trouwens de enige passage zijn waar het verdrag de lidstaten aanspoort om hun openbare uitgaven op te drijven! In naam van de strijd tegen het terrorisme worden militaire tussenkomsten in het buitenland aangemoedigd: “Al deze opdrachten kunnen bijdragen tot de strijd tegen het terrorisme, met inbegrip van de steun die aan derde landen wordt verleend om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden” (toekomstig art. VEU, kopie van 309 EGV). In feite zet zo’n artikel de deur open voor alle militaire avonturen. Charter van de fundamentele rechten Het Charter van de fundamentele rechten is niet opgenomen geworden in het Hervormingsverdrag. Toch erkent artikel 6 van het VEU “de rechten, de vrijheden en de principes die erin staan opgesomd”, en verduidelijkt het dat het Charter “dezelfde juridische waarde heeft als de verdragen”. Het Charter zal dus “juridisch bindend” (Verklaring 29). Het probleem is echter te weten in welke mate het bindend is. Inderdaad, de sociale rechten die het vermeldt bezitten maar een beperkte reikwijdte. Bijvoorbeeld bestaat er geen recht op arbeid of op werkgelegenheid. Er staat alleen iets over het “recht om te werken”, wat wel wat anders is. Het recht op sociale bescherming is vervangen door een gewone vermelding van “het recht om toegang te krijgen tot de uitkeringen van de sociale zekerheid en de sociale diensten”. Andere onderwerpen doen nog meer de wenkbrauwen fronsen. Recht op zwangerschapsonderbreking en contraceptie wordt niet erkend door het Charter. Zo gezien valt het zelfs te vrezen dat de herbevestiging van “het recht op leven” door sommigen zal gebruikt worden om de niet opgenomen rechten op zwangerschapsonderbreking en contraceptie aan te vechten voor het Hof van Justitie. In essentie wordt de toepassing van de rechten die het Charter vermeldt doorverwezen naar “de nationale geplogenheden en wetgeving”. Fundamenteel vestigt het Charter dus geen Europees sociaal recht. Nochtans had zo’n sociaal recht een tegenwicht kunnen vormen voor het recht op concurrentie, dat op Europees vlak overheersend blijft. Als kers op de taart wordt zelfs gepreciseerd dat er beperkingen aan die rechten kunnen worden opgelegd als dat “noodzakelijk” wordt geoordeeld. De zogezegde “fundamentele” rechten zijn niet bedoeld voor de staatsburgers maar voor de instellingen van de Unie en de lidstaten, wanneer ze “het recht van de Unie” toepassen. Die rechten brengen “voor de Unie geen enkele nieuwe bevoegdheid of taak met zich mee”. Ze blijven ondergeschikt aan de andere bepalingen van het project, die gekenmerkt worden door de “vrije en onvervalste concurrentie”. Die zogenaamde “fundamentele” rechten zijn dus allesbehalve fundamenteel. De Unie erkent ze wel en respecteert ze, maar verzekert er helemaal niet de toepassing van. Ondanks al die voorzichtigheid, vinden sommige regeringen die tekst nog te scherp. Zo hebben het Verenigd Koninkrijk en Polen gedaan gekregen dat hij niet op hen van toepassing is. (Protocol nr. 7) Openbare diensten Artikel 16 van het Verdrag dat de Europese Gemeenschap opricht erkent de Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) als een “gemeenschappelijke waarde van de Unie”. Het stelt dat Unie en haar lidstaten “er op toezien dat die diensten functioneren op grond van principes en onder voorwaarden die ze in staat stellen hun opdracht te vervullen”. Dat artikel werd gewijzigd. Het is nu artikel 14 van het VFEU. In zijn nieuwe vorm vermeldt het uitdrukkelijk de noodzaak voor de Unie en haar lidstaten om de economische en financiële voorwaarden te verzekeren die de DAEB in staat moeten stellen hun opdracht uit te voeren. Er is meer: er werd een nieuw zinnetje toegevoegd dat bepaalt dat “het Europees Parlement en de Raad van Ministers (...) de principes formuleren en de voorwaarden vastleggen.” Op het eerste gezicht lijken dat positieve wijzigingen. Jammer genoeg veranderen ze niets aan de essentie. Inderdaad, de toepassing van dit artikel is uitdrukkelijk ondergeschikt gemaakt aan de artikels 86 en 87 van het verdrag. In het VFEU werden die artikels behouden. Het artikel 86 heeft een aanzienlijke draagwijdte. Het betekent ronduit de doodsteek voor de openbare diensten. Die worden namelijk onderworpen aan de concurrentieregels. Ze mogen er alleen van afwijken als dat geen belemmering - “voor zover ze tegengesteld zou zijn aan de belangen van de Gemeenschap” - betekent voor de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen. Het is de Commissie die oordeelt of die afwijkingen kunnen. Ze beschikt ook over alle macht om de openbare diensten open te stellen voor de concurrentie. Dat artikel verschaft dus de juridische basis om de openbare diensten te liberaliseren. Wat het artikel 87 betreft, dat maakt elke overheidssteun om reden van algemeen belang ongeveer onmogelijk. De verwijzing naar deze twee artikelen holt in feite het nieuwe artikel 14 totaal uit. Van zijn operationele mogelijkheden op het vlak van ontwikkeling van de openbare diensten schiet niets meer over. Protocol nr. 9-2 gaat over niet-verhandelbare diensten van algemeen belang, namelijk de diensten waarvoor de gebruiker niet rechtstreeks moet betalen. Het is de eerste keer dat een tekst met een juridische draagwijdte die gelijkwaardig is aan de verdragen, betrekking heeft op niet-verhandelbare diensten: “De bepalingen van de verdragen tasten op geen enkele wijze de bevoegdheden van de lidstaten aan in verband met de verschaffing, het opstarten en de organisatie van de niet-vehandelbare diensten van algemeen belang.” Dit artikel lijkt dus de niet-verhandelbare diensten te beschermen tegen de concurrentieregels. In feite ligt het probleem bij de definitie van die “niet-verhandelbare diensten” en daarover staat niets in de tekst. Er bestaat een arrest van het Hof van Justitie (C-180-184/98) dat stelt dat “elke activiteit die erin bestaat goederen en diensten op een gegeven markt aan te bieden, een economische activiteit is”. Met zulk soort van definitie kun je alles als “economische activiteit” beschouwen, als er sprake is van markt en als het recht van concurrentie en de regels van de interne markt van toepassing zijn. En inderdaad, in een verslag over diensten van algemeen belang, opgesteld ter gelegenheid van de Europese Raad van Laken, eind 2001, schrijft de Commissie dat het “niet mogelijk is a priori een definitieve lijst op te stellen van alle diensten van algemeen belang die beschouwd moeten worden als niet-verhandelbaar”. Anderzijds stipt ze aan dat “het gamma van diensten die op een markt kunnen worden aangeboden, afhangt van de technologische, economische en maatschappelijke wijzigingen”. Zo bekeken, riskeert het artikel 2 van dat protocol dus zonder enig praktisch effect te blijven. Iedereen akkoord, behalve Sarkozy Om te rechtvaardigen dat het Verdrag door het parlement wordt geratificeerd, spreekt Sarkozy, toen als kandidaat, nu als president, over een “miniverdrag”. Hij bevestigt dat het EGV wel degelijk dood en begraven is. Het gaat nu volgens hem over onbetekenende wijzigingen die in hoofdzaak technisch zijn. Hij is wel de enige die er zo over denkt. Iedereen herinnert zich dat Valéry Giscard d’Estaing, de “vader van het EGV”, vanaf juli verkondigde dat “wat de inhoud betreft, blijven de voorstellen in grote mate ongewijzigd, ze worden alleen op een andere wijze gepresenteerd.” Of nog flagranter: “De rede voor dit alles is dat de nieuwe tekst niet al te veel mocht lijken op het EGV. Daarom zijn de Europese regeringen een aantal cosmetische veranderingen aan de Grondwet overeen gekomen opdat ze makkelijker verteerbaar zou zijn.“ Die mening is ook José Luis Zapatero toegedaan, die er zich over verheugt: “Wij hebben geen enkel essentieel punt van de grondwet laten vallen... Ongetwijfeld is het meer dan een verdrag. Het is een project dat bijdraagt tot de stichting van Europa, een verdrag voor een nieuw Europa.” Of nog Angela Merkel: “De substantie van de Grondwet werd behouden. Dat is een feit.” Of de eerste-minister van Denemarken, Anders Fogh Rasmussen: “Wat positief is, is dat de symbolische elementen eruit zijn gehaald en dat wat echt belangrijk is - het hart - behouden werd.” Zonder Romani Prodi te vergeten, die hier een waar juweeltje aflevert: “ In verband met onze condities heb ik drie ‘rode lijnen’ aangeduid in verband met het respect voor de tekst van de Grondwet: het behoud van een permanente voorzitter van de Unie, een enkele verantwoordelijke voor de buitenlandse politiek samen met een gemeenschappelijke diplomatieke dienst, het veilig stellen van de uitbreiding van de stemming bij meerderheid, de een gemaakte juridische persoonlijkheid van de Unie. Al die elementen zijn inderdaad onaangetast gebleven.” Alle regeringsleiders zijn het eens. Over de geest van het verdrag is Karel De Gucht, Belgisch minister van buitenlandse zaken, het duidelijkst: “Het doel van het EGV was leesbaarder te zijn. ... Het doel van dit verdrag is onleesbaar te zijn... De grondwet wilde helder zijn, terwijl dit verdrag duister moest zijn. Het is een succes.” De institutionele wijzigingen 1. Geen recht op burgerinitiatief Het ontwerp erkent een zogenaamd burgerinitiatiefrecht (artikel 8 B-3 VEU, overgenomen uit 47-4 EGV). Dat recht is echter onderworpen aan de goede wil van de Commissie. Die laatste wordt alleen “uitgenodigd” om een burgerinitiatief in aanmerking te nemen. Ze is dus niet verplicht om voorstellen die door minimum één miljoen burgers zijn opgesteld te onderzoeken noch er rekening mee te houden. Bovendien moeten die burgerinitiatieven “passen binnen de doelstellingen de verdragen toe te passen”. Met andere woorden burgerinitiatieven die bedoeld zijn de verdragen te wijzigen komen niet in aanmerking. De Commissie is niet eens verplicht haar beslissing uit aan de burgers te leggen. Wat het petitierecht betreft, dat was al erkend door het Verdrag van Nice (art.194), en ook door de grondwetten van alle lidstaten. 2. Rol van de nationale parlementen en van het Europees Parlement In verschillende passages wordt gewag gemaakt van de nationale parlementen en dit met de duidelijke wil hun rol te versterken. Op terreinen die niet tot de exclusieve bevoegdheid van Unie behoren kunnen de nationale parlementen zich verzetten tegen een ontwerp van Europese wetgeving als ze van mening zijn dat het subsidiariteitprincipe niet gerespecteerd werd (art. 5 VEU en art.3 van protocol 1, overgenomen uit EGV). Het artikel 7 van het protocol nr.2, overgenomen uit EGV, duidt de te volgen procedure aan. Als één derde van de nationale parlementen (een kwart als het gaat over vrijheid, veiligheid en justitie) van die mening is, dan moet het ontwerp “opnieuw onderzocht” worden. Na dat nieuwe onderzoek kan het ontwerp gehandhaafd, gewijzigd of teruggetrokken worden. Als bovendien de meerderheid van de nationale parlementen en 55% van de Ministerraad (of de meerderheid van het Europees Parlement) tegen is, dan wordt het ontwerp ingetrokken. Dit artikel versterkt inderdaad de rol van de nationale parlementen, maar zijn draagwijdte is heel beperkt. Immers, die parlementen spreken zich helemaal niet uit over de grond van het ontwerp, alleen maar over het respecteren van het subsidiariteitprincipe. Zoals in het EGV, is ook in het VEU de rol van het Europees Parlement vergroot door een substantiële toename van de materies die betrekking hebben op de beslissingsbevoegdheden die het gemeenschappelijk met de Ministerraad uitoefent Dat aantal groeit van 40naar 69 op een totaal van 90, en houdt ondermeer het politioneel en juridisch samenwerkingsbeleid in. Toch is het de Ministerraad die de definitieve wetgevende functie uiteindelijk blijft uitoefenen. Enerzijds omdat een Europese wet niet kan worden aangenomen zonder het akkoord van de Ministerraad. Anderzijds omdat het de standpunten van de Ministerraad zijn, en niet die van het Parlement, die zeer snel niet meer geamendeerd kunnen worden. Er blijven 21 materies waar het Parlement van uitgesloten blijft. Sommige ervan zijn heel belangrijk. Die lijst is echter nergens geschreven. Men hoort gewoon maar aan te nemen dat een materie uitgesloten is wanneer een artikel van het ontwerpverdrag specificeert dat het de Ministerraad is die beslist of dat het Parlement alleen maar hoeft geraadpleegd te worden. We staan hier voor een verontrustende ondoorzichtigheid van een tekst die nochtans absoluut helder zou moeten zijn. Hier volgen de voornaamste materies of deelmateries waarin het Parlement geen medebeslissingsrecht heeft: de buitenlandse politiek en het veiligheidsbeleid, de douanetarieven, de monetaire politiek, de fiscaliteit, de essentie van de landbouwpolitiek, de interne markt en gedeeltelijk ook de sociale politiek. 3. Individueel recht van beroep voor het Hof van Justitie Dat recht is erg beperkt. De 4de alinea van artikel 230 VFEU werd inderdaad gewijzigd. Dat artikel bepaalde dat een individu beroep kon aantekenen, ook in het geval dat beslissingen die hem persoonlijk en rechtstreeks betroffen, genomen waren “alsof ze schijnbaar een reglement of een beslissing waren die bedoeld zijn voor een andere persoon”. Die mogelijkheid staat er niet meer in. 4. Andere wijzigingen De Unie heeft een juridische persoonlijkheid verworven. Daardoor is het haar toegestaan internationale akkoorden te ondertekenen in naam van de lidstaten. De gekwalificeerde meerderheid in de Ministerraad zal vanaf 1 november 2014 op 50% van de staten en 55% van de bevolking gebracht zijn, behoudens enkele overgangsmaatregelen die tot 2017 kunnen reiken. Er komt een vermindering van het aantal commissarissen. Ook daar geldt tot 31 oktober 2014 een overgangsprocedure. Er komt een president van de Europese Raad voor een periode van telkens 2,5 jaar, die één maal verlengd kan worden. Ten slotte krijgen we een Hoge Vertegenwoordiger (de term “minister” werd verworpen) van de Unie voor Buitenlandse Zaken. Conclusie Uit dit alles blijkt duidelijk dat de fundamentele redenen om het Europees Grondwetsverdrag te verwerpen, ook voor dit Hervormingsverdrag blijven bestaan. Het draagt om te beginnen in al zijn geledingen het stempel van het neoliberalisme, zowel wat zijn basisprincipes betreft als in de beleidsmaatregelen die het aanbeveelt. Als het in die vorm geratificeerd wordt, blijft de Europese Unie een bevoorrechte ruimte voor een neoliberale politiek. De weinige positieve punten veranderen nauwelijks iets fundamenteels aan de huidige werking van de Unie, die een grondig democratisch deficit vertoont. Inderdaad, de verschillende machten zijn er met elkaar vermengd, aangezien de Commissie zowel over wetgevende als gerechtelijke macht beschikt en de Ministerraad een wetgevend lichaam is dat in feite tegelijkertijd de vergadering is van de uitvoerende macht van de respectieve lidstaten. Dit wat de grond betreft. Maar daar komen nog de bezwaren bij in verband met de methode om ons dat Hervormingsverdrag door de keel te duwen. Daaruit blijkt de onwil van de regeringen en van de Commissie om de volkeren en de staatsburgers te betrekken bij de totstandkoming van een waarachtige Europese Unie. Wij eisen een referendum Zodra het verdrag door de Ministerraad is aanvaard, begint de fase van ratificering door de lidstaten. Tijdens zijn verkiezingscampagne heeft Nicolas Sarkozy ervoor gepleit om het verdrag door het Franse parlement te laten ratificeren. Hij voerde daarbij aan dat dit verdrag sterk “vereenvoudigd” was en op een brede consensus steunde. De waarheid is dat dit zogenaamd vereenvoudigde Hervormingsverdrag een pak ingewikkelder is dan het oorspronkelijke ontwerp van Grondwetsverdrag (EGV) en dat rond de inhoud ervan helemaal geen consensus bestaat. Als onze politieke leiders blijven aandringen op de goedkeuring door hetparlement van dit Hervormingsverdrag, dat in feite het EGV in zijn totaliteit overneemt, dan moeten de Franse afgevaardigden het verwerpen. Dat is de enige manier om de keuze van een brede meerderheid van de Franse kiezers te respecteren. En wie beweert dat de kiezers in die twee jaar van mening kunnen veranderd zijn, moet ze dan maar opnieuw de kans geven om dit Hervormingsverdrag via een referendum goed te keuren of te verwerpen. Hoe kun je immers anders werkelijk debatteren over de toekomst en de oriëntatie van de Unie als de burgers niet kunnen beslissen over de keuzes die moeten gemaakt worden? Hoe kun je volhouden dat de Unie een minimum aan legitimiteit bezit als de Europeanen het recht niet krijgen om mee te beslissen over de politieke keuzes die aan de basis liggen van hun latere levensvoorwaarden en van de instellingen die hen al dan niet de mogelijkheid zullen geven om zich in volle soevereiniteit uit te spreken? Het is vandaag absoluut nodig om de Europese eenheid op een totaal andere grondslag te realiseren. De burgers moeten daar zelf bij betrokken worden. De absolute voorwaarde daarvoor is dat de Europese eenmaking fundamenteel wordt geheroriënteerd op een Europa van staatsburgers. Welk ook het standpunt is dat iemand erop na kan houden over de inhoud van dit Hervormingsverdrag, het kan niet anders dan dat ieder van ons er over moet kunnen debatteren om precies tot een mening te komen. Dat is gewoon een minimale democratische eis. vertaling uit het Frans: Koen Dille
Spip-redacteur:
patrick c
|
In- & Uitschrijven
Trefwoorden
|
|
|
Attac
Vlaanderen | Statistieken | Privé-ruimte | Alle rubrieken | Alle documenten
Verwittiging - De gepubliceerde documenten weerspiegelen, tenzij anders vermeld, niet noodzakelijk het standpunt van Attac Vlaanderen. Zij zijn de standpunten van hun auteur(s) en eventueel van werkgroepen of andere organisaties. Dat de documenten hier gepubliceerd worden is omdat wij willen meegenieten van beschikbare ideeën en expertises om samen onze toekomst te heroveren en aan die andere mogelijke wereld te werken. ![]() Alle teksten van deze site mogen gebruikt en gecopiëerd worden onder de voorwaarden van toepassing van de Creative Commons Licentie. |
||