Attac logo
Associatief netwerk voor een Taks op financiële Transacties
en voor het Aansterken van de Civiele maatschappij
Beginpagina    Zand in de Machine    ZidM > 2001-2008    WTO moet zich opnieuw uitvinden  
| thema: armoede , landbouw  |
 

WTO moet zich opnieuw uitvinden

Niet Westerse landen willen ruimte om hun eigen economie te laten groeien

> Myriam Vander Stichele - gepubliceerd op 29 november 2008

Grote voedselimporten hebben in ontwikkelingslanden de eigen productie in gevaar gebracht. Daarom moet markttoegang flexibel zijn, meent Myriam Vander Stichele.

Hoewel onderstaand stuk reeds in augustus (en in verkorte vorm) gepubliceerd werd in het NRC, denken we dat het nog steeds actueel is.

De mislukking van de WTO top is geen verrassing. [Bij de vorige onderhandelingen hadden de VS en Europa vooral hun eigen belangen verankerd in de WTO-akkoorden en veel belangen van ontwikkelingslanden opzij geschoven]. Wanneer die nu het been houden om de ontwikkelingsagenda van de Doha uit te werken, ontstaan ‘onoverbrugbare tegenstellingen’. India eiste een beschermingsmechanisme omdat de rijke landen nog steeds niet bereid waren hun exportsubsidies en dumping volledig af te bouwen. Maar in India en in veel andere ontwikkelingslanden vormen kleine boeren een grote en kwetsbare groep vormen die weinig profiteren van de economische ontwikkeling in hun land en die tot grote sociale onrust zouden zorgen bij te grote buitenlandse concurrentie.

Het WTO conflict draait om verschil van mening over vrijhandel. Ontwikkelingslanden stellen vast dat het afbouwen van hun importbarrières en landbouwondersteuning, onder druk van de Wereldbank en de huidige WTO-akkoorden, niet de beloofde voordelen hebben gebracht. Bovendien verbieden de bestaande WTO regels hen om die (beschermende) maatregelen te nemen waarmee geïndustrialiseerde landen zelf wel hun economie hebben opgebouwd. Aziatische landen zoals Japan en Korea konden nog hun industrie doen groeien achter tolmuren en met steun en sturing van de overheid. Westerse landen hebben lang geen internationale beperkingen gehad om hun dienstensector te ontwikkelen (wat nu wel gebeurt in het GATS akkoord van de WTO).

De voedselcrisis toont aan dat te grote voedselimport de eigen voedselproductie tenietdoet en afhankelijkheid creëert van instabiele en soms torenhoge wereldmarktprijzen. Ontwikkelingslanden zien de onflexibele eisen van de rijke landen voor meer markttoegang in de Doha ronde als een ondermijning van de ontwikkelingen van hun eigen industriële, landbouw- en dienstensectoren, met werkloosheid en armoede als gevolg.

De oorzaken van de tegenstellingen moeten we ook zoeken bij dieperliggende problemen van het huidige handelsprobleem: de onafgewerkte internationale handelsarchitectuur en de ondeugdelijke besluitvorming over handel.

Foute internationale handelsarchitectuur

Het vrijhandelsmodel van de WTO leidt nu tot een concurrentieslag tussen ongelijke landen die alleen hun eigen belang verdedigen en die voor hun economische groei en winstgevendheid van hun bedrijven afhankelijker zijn geworden van markttoegang in andere landen.

Bij de opbouw van het internationale handelssysteem na WO II had men de problemen van internationale concurrentie voorzien. Maar de overeengekomen internationale oplossingen (Havana Charter, 1948) zijn door verzet van de VS nooit volledig uitgevoerd. Daarom zit het internationale handelssysteem met een aantal problemen opgezadeld.

Ten eerste creëert de WTO een vrije markt op wereldniveau zonder internationale mededingingsregels tegen internationale oligopolies of oneerlijke handelspraktijken. Dit leidt nu op de wereldmarkt tot grote concentratie in de handen van een beperkt aantal bedrijven, bv. bij landbouwproducten (de wereldgraanhandel is voor meer dan 80 procent in handen van de Amerikaanse Cargill, ADM en Bunge). Daardoor hebben producenten, werknemers en kleine boeren onderaan de keten te weinig onderhandelingsmacht.

Ten tweede kunnen arbeidsnormen die in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn overeengekomen nauwelijks internationaal worden afgedwongen. Daardoor is het moeilijk om een neerwaartse spiraal van arbeidsnormen en lonen tegen te gaan in die sectoren met grote internationale concurrentie en marktconcentratie.

Ten derde hadden internationale grondstoffenakkoorden vroeger tot doel goede inkomsten te garanderen voor ontwikkelingslanden die grotensdeels afhankelijk waren van export van enkele grondstoffen. Toen de geïndustrialiseerde landen de onvolmaakte grondstofakkoorden lieten vervangen door de internationale vrije marktmechanismen, hebben ontwikkelingslanden decennia lang te kampen hadden met heel lage grondstoffenprijzen en te weinig middelen om op andere exportproductie over te stappen.

Slechte besluitvorming

Deze scheef gegroeide internationale handelsarchitectuur wordt versterkt door een slechte besluitvormingsstructuur in de WTO en in de WTO-lidstaten zelf.

Consensus in de WTO wordt nog steeds afgedwongen door uitsluiting, zoals op de voorbije top, in plaats van door een goede structuur die voor elk land een goede vertegenwoordiging garandeert. Bovendien oefenen de rijke landen, inclusief de EU, druk uit op ontwikkelingslanden op een manier die op nationaal niveau onaanvaardbaar zou zijn, bv. dreigen met het opschorten van hulp.

Binnen elk van de WTO lidstaten en in de EU wordt nauwelijks democratisch beslist welk onderhandelingsstandpunt in de WTO wordt ingenomen. Onderzoek van SOMO en anderen toonde aan hoe de standpunten van de EU voornamelijk worden bepaald door grote bedrijven die de middelen hebben om heel actief te lobbyen. Omdat die bedrijfslobby ook sterk is in andere landen zoals de VS, wordt het handelsbelang van landen vereenzelvigd met het belang van grote bedrijven waarbij sociale, maatschappelijke, milieu- en andere economische belangen worden verwaarloosd.

Wat moet er nu gebeuren? Toch verder onderhandelen in de WTO, of louter kiezen voor de reeds gestarte bilaterale handelsverdragen, zou een verkeerd antwoord zijn. De mislukte onderhandelingspoging en de zichtbare veranderde machtsverhoudingen maken een andere aanpak mogelijk. De regels van de WTO die door een sanctiesysteem afdwingbaar zijn en nationaal en internationaal beleid onderwerpen aan vrijhandel en de bedrijfsbelangen van de rijke landen, moeten worden vervangen door flexibele regels voor ontwikkelingsdoelen en duurzame productie, handel en consumptie. Een nieuwe internationale handelsarchitectuur moet regels hebben over mensen- en arbeidsrechten, eerlijke voedsel- en grondstofprijzen, mededinging, en milieu, die internationaal afdwingbaar en beter uitvoerbaar worden door samenwerking in bestaande VN organisaties. Dat wordt dan het kader voor duurzaamheid en armoedebestrijding waarbinnen een wereldhandelsorganisatie eigen afspraken kan maken en handelsmisbruiken te lijf gaat. In ieder land zal hiervoor politieke moed nodig zijn om op een democratische manier bij te dragen aan een ander handelssysteem.


Myriam Vander Stichele is senior researcher bij SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen).

Spip-redacteur:   francis
 
 
In- & Uitschrijven
Zand in de machine




Attac persberichten




Kalender
« Februari 2018 »
M D W D V Z Z
29 30 31 1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 1 2 3 4
 
Trefwoorden
 
 Attac Vlaanderen  |  Statistieken  |  Privé-ruimte  |  Alle rubrieken  |  Alle documenten

Verwittiging - De gepubliceerde documenten weerspiegelen, tenzij anders vermeld, niet noodzakelijk het standpunt van Attac Vlaanderen. Zij zijn de standpunten van hun auteur(s) en eventueel van werkgroepen of andere organisaties. Dat de documenten hier gepubliceerd worden is omdat wij willen meegenieten van beschikbare ideeën en expertises om samen onze toekomst te heroveren en aan die andere mogelijke wereld te werken.

Logo Creative Commons
Alle teksten van deze site mogen gebruikt en gecopiëerd worden onder de voorwaarden van toepassing van de Creative Commons Licentie.