Attac logo
Associatief netwerk voor een Taks op financiŽle Transacties
en voor het Aansterken van de Civiele maatschappij
Beginpagina    Zand in de Machine    ZidM > 2009    Kopenhagen 2009 : Wat is de inzet ?   
| thema: klimaat&milieu  |
 

Kopenhagen 2009 : Wat is de inzet ?

De hoogdringendheid van de klimaatproblemen en sociale rechtvaardigheid zijn aan elkaar gekoppeld

> Attac, Amis de la Terre - gepubliceerd op 5 december 2009

Dat er zich een algemene ecologische crisis aan het ontwikkelen is, die de toekomst van de bewoners van deze planeet bedreigt, kan niet meer worden weerlegd. De omvang ervan is aangetoond geworden door het werk dat de Intergouvernementele Groep van Klimaatexperts (IGCE, opgericht door de Verenigde Naties, n.v.d.v.). Die groep heeft de realiteit van de algemene klimaatopwarming duidelijk in kaart gebracht en er de voornaamste oorzaak van bloot gelegd, namelijk de verhoging in de atmosfeer van het gehalte aan broeikasgassen, in de eerste plaats van koolstofdioxide (CO2), wat hoofdzakelijk te wijten is aan het gebruik van fossiele brandstoffen, dat sinds de Tweede Wereldoorlog explosief is toegenomen.

1 - Klimaatcrisis, wereldcrisis

Maar de teloorgang van het milieu valt ook af te leiden uit de ontbossing, de woestijnvorming, de uitputting en vervuiling van landbouwgronden, lucht en water en de nooit eerder geziene aantasting van de ecosystemen en de biodiversiteit. Onze natuurlijke omgeving, die het de mensheid heeft mogelijk gemaakt om zich gedurende duizenden jaren te ontwikkelen, worstelt vandaag met reusachtige problemen: droogte, hongersnood, ziektes, volksverhuizingen, oorlogen om grondstoffen, en dat op een schaal die de mensheid nooit eerder heeft gekend en die uiteindelijk het voortbestaan van de mensheid in gevaar kunnen brengen.

De klimaatcrisis weerspiegelt de diepte van de algemene ecologische crisis en bespoedigt ze bovendien. Zij toont de grenzen en contradicties van een maatschappelijk organisatiemodel dat niet leefbaar is, sociaal onrechtvaardig en verwoestend. De mondialisering en de planetaire verspreiding van het kapitalisme hebben een proces versneld, dat al bijna twee eeuwen bezig is. De bedreigingen die dat met zich heeft gebracht ondergraven de kansen om in samenlevingen te leven die gebaseerd zijn op waarden zoals vrijheid, solidariteit, maatschappelijke rechtvaardigheid en democratie.

Met zoveel op het spel, hadden we liever meer tijd gehad. Maar de klimaatverandering duldt geen uitstel. De IGCE stelt het duidelijk: als we de grens (maximale temperatuurstijging van de aarde van 2į C, vergeleken met de preÔndustriŽle periode) die de Europese Unie heeft vastgelegd voor 2100 niet willen overschrijden, dan moet de wereld tegen 2050 de uitstoot van schadelijke gassen met 90% verminderen(1). Daarvoor moet volgens Jean-Paul Cťron van de werkgroep II van de IGCE de “emissiecurve vanaf 2015 beginnen te dalen”. “Vervolgens moeten we elk jaar de uitstoot met 6% verminderen. Technologische vooruitgang zal niet volstaan om dat doel te bereiken. We zullen onze levenswijze moeten veranderen. Als we niets doen zullen we onvermijdelijk de gevolgen ervan moeten betalen.” Die zullen zwaar zijn. De IGCE waarschuwt de staten dat “een ongeremde klimaatswijzing meer dan waarschijnlijk op lange termijn niet meer binnen de aanpassingsmogelijkheden van natuurlijke en menselijke systemen zullen liggen”. En dat “de laatste waarnemingen bevestigen dat het ergste scenario realiteit aan het worden is”.

Echt strijd voeren tegen de klimaatopwarming verplicht ons dus een aantal zaken radicaal en snel ter discussie te stellen, zoals het rapport 2007-2008 van de UNDP (United Nations Development Program) het stelt: “een van de zaken die het duidelijkst naar voor komen uit de klimaatwijziging is dat het economische model van de rijke landen - een model dat aanzet tot groei en consumptie - (…) ecologisch niet vol te houden is”. Hoewel een aantal ecologistische NGO’s die dringende noodzaak tijdens de onderhandelingen naar voor hebben geschoven, is het protocol van Kyoto, (dat overigens maar een heel bescheiden vermindering van de uitstoot van broeikasgassen vooropstelt) maar pas in 2005 in werking getreden. En na talloze verwikkelingen - meer bepaald de weigering van de VSA om zich aan becijferde doelstellingen te binden – bevat dat protocol nergens de noodzaak van diepgaande transformaties van het dominante ontwikkelingsmodel om die doelstellingen te bereiken. En ondanks het manifeste falen van het neoliberale model, blijft men vasthouden aan het geloof in een onbegrensde materiŽle groei, samen met het dogma van de absolute vrijhandel en van het vermogen van de markt om de samenlevingen en het klimaat te regelen.

Op de Conferentie van Kopenhagen in december 2009 moet er voor de periode 2013-2020 een akkoord tot stand komen, dat het vervolg is van het protocol van Kyoto. Die conferentie is natuurlijk niet de enige plek waar over de toekomst van de klimaatopwarming wordt beslist, maar ze zal toch een van de doorslaggevende elementen zijn voor de toekomst van onze planeet omdat ze gedeeltelijk de voorwaarden zal vastleggen van de keuzes die onze samenlevingen zullen moeten maken. Door wat er op klimatologisch gebied op het spel staat, zal het ook noodzakelijk worden om de vormen van internationale Noord-Zuid samenwerking te herzien, evenals de modaliteiten van herverdeling van de rijkdom, van de sociale rechtvaardigheid en van het beheer van de openbare en gemeenschappelijke goederen. Op al die punten zullen de beslissingen die men in Kopenhagen zal nemen een impact hebben. Dat is dan ook de teneur van de oproep van de sociale bewegingen tijdens de samenkomst van het Wereld Sociaal Forum te Belťm.

Uittreksels van de Oproep van het WSF te Belem
Climate Justice Now !

Nog maar eens krijgen we van hen die de oorzaak zijn van de problemen te horen dat ze oplossingen hebben: de verhandeling op de markt van de koolstofgassenuitstoot, het zogenaamde "schone koolstof", de kernenergie, de agrobrandstoffen, en zelfs een groene New Deal. Dat zijn echter valse oplossingen, neoliberale illusies. We moeten die illusies achter ons laten.

Er beginnen zich daarentegen reŽle oplossingen voor de klimaatverandering af te tekenen. Ze zijn het resultaat van de samenwerking met hen die de aarde steeds hebben beschermd en hen die elke dag strijden om het milieu en hun levensomstandigheden te verdedigen. Vandaag moeten we de oplossingen op mondiaal vlak doorvoeren. Voor ons is strijden voor rechtvaardigheid op het gebied van het klimaat hetzelfde als strijden voor sociale rechtvaardigheid. Het betekent strijden voor de beschikbaarheid van de landbouwgrond, voor de bescherming van de wouden, voor de algemene toegankelijkheid van de waterbronnen, voor hervormingen in de landbouw en een andere vorm van urbanisatie, voor een onafhankelijke voedsel- en energievoorziening. Het betekent ook strijden voor rechten van vrouwen en werkende mensen. Strijd dus ook voor gelijkheid en voor de rechten van de inheemse volkeren, voor de volkeren van het zuidelijk halfrond, voor de verdeling van de rijkdommen en de erkenning van de historische ecologische schuld van de landen uit het Noorden.

(…) De beweging voor rechtvaardigheid op het vlak van het klimaat eist de bescherming van de "gemeenschapsgoederen". Ze maakt van de sociale en economische kwesties de kern van onze strijd tegen de klimaatverandering. Wij roepen de loontrekkers, de boeren, de vissers, de jongeren en de studenten, de inheemse volkeren en al de andere mensen die dit aangaat, zowel in het Noorden als in het Zuiden, zich bij die gemeenschappelijke strijd aan te sluiten om tot echte oplossingen voor de klimaatcrisis te komen, met het oog op de toekomst van de planeet, van onze samenlevingen en onze culturen.

Hier klikken voor de integrale tekst.

2 - Het klimaat is de gevangene van de koolstoffinanciers

    De flexibiliteitsmechanismen van het Kyotoprotocol

    Het Kyotoprotocol heeft toegestemd in de oprichting van een markt voor koolstofvergunningen en –kredieten. Die worden boekhoudkundig verrekend in tonnen koolstofequivalent, op basis van "flexibiliteitsmechanismen". Die koolstofmarkt bestaat uit twee essentiŽle aan elkaar gekoppelde delen.

    Er bestaat een markt van door de staten uitgegeven uitstootrechten (of "vervuilrechten"). De elektriciteitsbedrijven en industrieŽn krijgen uitstootmaxima opgelegd. Zij kunnen die uitstootrechten onder elkaar uitwisselen. Op Europees niveau gaat het om koolstofkredieten, EUA (European Union Allowances) genoemd. Op die markt wisselen de industrieŽn de kredieten uit die ze niet hebben gebruikt, die ze hebben gerecupereerd of die andere industrieŽn nodig hebben. De Europese Markt (ETS, Emissions Trading System) is de eerste markt van uitstootrechten. Zij functioneert sinds 2005. Wie daar in de eerste plaats van profiteren zijn de bedrijven met een intensieve energieproductie. De wispelturigheid en de ineenstorting in 2007 van de prijs voor een ton koolstofequivalent illustreren de mislukking van deze markt die vermindering van de uitstoot had moeten mogelijk maken. Dergelijke markten wil men ook in AustraliŽ en de VSA instellen.

    De koolstofmarkt heeft een ander onderdeel waar uitstoot- of emissiekredieten kunnen uitgewisseld worden. Op die markt circuleren zogenaamde uitstootverminderingscertificaten. Die worden niet door staten uitgegeven, maar werden elders, in het buitenland verworven in het kader van de flexibiliteitsmechanismen opgenomen in het Kyotoprotocol. Die kredieten zijn in feite vergoedingen – beloningen! – voor "vermeden" koolstofuitstoot, als gevolg van "schone" investeringen. Een eerste mechanisme betreft hoofdzakelijk investeringen in Oost-Europa, die het mogelijk hebben gemaakt goedkope uitstootrechten te verwerven omdat ze betrekking hebben op de vervanging van verouderde industrieŽn.

    Het belangrijkste mechanisme is dat van de "schone ontwikkeling". Dat is van toepassing in de ontwikkelingslanden. Bedrijven uit de rijke landen kunnen "bijkomende" projecten financieren. De regel hier bepaalt dat de investerende bedrijven moeten kunnen aantonen dat die projecten er niet zouden zijn gekomen zonder die zogenaamde mechanismen voor schone ontwikkeling. Bijvoorbeeld een project om steenkool te vervangen door een duurzame energiebron. Of dat die projecten het werkelijk mogelijk maken koolstofuitstoot te vermijden in vergelijking met een toestand waarbij men alles bij het oude zou hebben gelaten. Met dergelijke projecten kan men dus "Eenheden van koolstofreductie" verwerven die op de internationale markt verhandelbaar zijn. Bedrijven uit de rijke landen kunnen zich op die manier goedkope rechten aanschaffen en vermijden zo de kosten om zelf over te schakelen op een koolstofarmere productie.

    Is dat de weg naar “koolstofsubprimes”?

    De aankoop en de verkoop op de markt van die koolstofuitstootrechten en –kredieten gebeurt via markten van afgeleide producten en van termijncontracten. Dat betreft in feite beloftes tot verkoop van uitstootquota of -kredieten in een bepaalde hoeveelheid, tegen een zeker prijs en op een gegeven datum. Op dit ogenblik zijn die koolstofmarkten weliswaar beperkt. Ze zijn echter wel in volle opkomst. Maar omdat men het klimaat wil regelen met koolstofcertificaten krijgt die nieuwe financiŽle markt voorrang waardoor ze geroepen is om zich snel uit te breiden. Een recent rapport van Les Amis de la Terre International meldt de snelle opkomst van "slechte koolstof"contracten (junk carbon). Dat zijn koolstofcertficaten die riskeren niet uitgevoerd te worden en waardoor dus hun prijs kan instorten. De risico’s zijn divers: moeilijkheden om de reŽle effecten inzake de te verwachten uitstoot van een project te evalueren, betwistbare onafhankelijkheid van de organismen die dat moeten evalueren, moeilijkheden om het "bijkomende" karakter van een project vast te stellen, de termijnverkoop van dergelijke certificaten nog voor ze afgeleverd worden, enzovoort.

    De flagrante risico’s van de financiŽle markten treden dus op grote schaal op in combinatie met de industriŽle logica. De projecten die op die markten kunnen geregistreerd worden betreffen uitsluitend die van de industrie en de agro-industrie, die, in tegenstelling tot de traditionele en lokale activiteiten, toegang hebben tot de koolstofmarkt nadat ze hun projecten hebben kun doen valideren als "schoon".

3- Wij zijn voor een openbare financiering van de strijd tegen de klimaatverandering

Attac en Les Amis de la Terre geven voorrang aan het aan de bron terugdringen van de koolstofuitstoot. Dat veronderstelt dwingende regels en normen die democratisch zijn gekozen en beslist zijn in voortdurende internationale samenwerking.

Daarom en met in het achterhoofd de bekommernis om een planetaire rechtvaardigheid inzake het klimaat, is een openbare financiering van de strijd tegen de klimaatwisseling in hoge mate nodig.

In december 2008 hebben meer dan 160 NGO’s, inheemse volksorganisaties en verenigingen voor een rechtvaardige klimaatsregeling te Poznan een oproep gelanceerd. Die oproep herneemt een voorstel dat werd uitgewerkt door een groep van ontwikkelingslanden, "G77 plus China" geheten, die aandringt op financiering van een fonds dat zou gebruikt worden om het hoofd te bieden aan de klimaatswisseling. Dat fonds zou onder hoede komen van de Kaderconventie inzake Klimaatswisseling van de Verenigde Naties (de UNFCCC of United Nations Framework Convention on Climate Change, n.v.d.v.) en onafhankelijk van de Wereldbank opereren, want die probeert zich op te werpen als financieringsinstrument. Dat onafhankelijke fonds is nodig om grootschalige financiŽle transfers van de rijke landen naar de arme landen mogelijk te maken.

Die financiering moet een verplicht en automatisch karakter krijgen, volgens het UN-principe van "gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden naargelang van de historische en huidige bijdragen tot de klimaatsopwarming en van de financiŽle mogelijkheden". Het beheer van die fondsen moet democratisch en transparant zijn. De ontwikkelingslanden, de inheemse volkeren, de sociale bewegingen, de milieuorganisaties en de vrouwenbewegingen moeten erin vertegenwoordigd zijn.

Dat Wereldklimaatfonds moet de nodige instrumenten aanreiken voor het uitwerken nationale plannen tegen de klimaatsverandering, die de participatie waarborgen van de volkeren, de gemeenschappen en de individuen. De meest kwetsbare groepen moet gewaarborgd worden dat ze rechtstreeks toegang hebben tot dat fonds, via volksorganisaties, sociale bewegingen, NGO’s en basisbewegingen, zoals bijvoorbeeld de vrouwenorganisaties. De activiteiten van dat fonds moeten de nadruk leggen op de sleutelakkoorden van de UNO, waarin de Mensenrechten (in hun uitgebreide versie) zijn opgenomen. Het fonds moet ook het recht versterken dat de volkeren hebben op soevereiniteit inzake eigen voedselproductie en energiebevoorrading.
Meer algemeen zijn de landen van het Zuiden het eens over enkele fundamentele principes: de financiering van de aanpassing aan en de strijd tegen de klimaatsverandering moet losstaan van de openbare ontwikkelingshulp en moet de vorm aannemen van giften, niet van leningen. De contributies tot dat fonds moeten gedifferentieerd zijn in verhouding tot het BBP van de deelnemende landen, de omvang van hun broeikasgasuitstoot en de grootte van hun bevolking. In het algemeen stellen de "G77 + China" voor dat de financieringsbronnen onafhankelijk staan ten aanzien van de markt en dat een aantal octrooien op de noodzakelijke technologie zouden worden opgeheven.

De financiering veronderstelt de heffing van mondiale belastingen, die tevens als instrumenten voor openbare regulering kunnen dienen. In die optiek zijn die heffingen inderdaad niet alleen marktregulatoren. Ze moeten ook de transfers van rijkdommen mogelijk maken, die nodig zijn voor de financiering van de strijd tegen de klimaatsveranderingen en van de transitie naar een ecologisch leefbare economie. Volgens talrijke specialisten is zo’n internationale taks op de uitstoot van broeikasgassen de enige realistische optie, omdat hierdoor dat aspect ook tot in de details kan worden gecontroleerd. Toch moet die ecologische fiscaliteit deel uit blijven maken van een bredere aanpak van het beheer van het wereldwijde openbaar bezit.

4. Kopenhagen 2009 : wat staat er op het spel en welke krachten nemen het tegen elkaar op?

De Kaderconventie inzake Klimaatsverandering van de Verenigde Naties (UNFCCC) werd opgericht in 1992 naar aanleiding van de Topconferentie over de Aarde. Ze werd van kracht in 1994 en tegen het einde van 2008 telde ze 192 deelnemers, waaronder de Europese Unie. De Conferentie van Deelnemers is er het beslissingsorgaan van. De twee essentiŽle partners van de Conventie zijn enerzijds het Fonds voor het Wereldmilieu, dat belast is met het beheer van de fondsen van de Conventie, die hulp moeten verstrekken aan de ontwikkelingslanden, en anderzijds de Intergouvernementele Groep van Klimaatexperts (IGCE), in 1988 door de UNO opgericht.

Het protocol van Kyoto dateert dan weer van 1997. Het trad in werking in 2005 en is geratificeerd door 172 landen, met de VSA als opvallende uitzondering. Het heeft voor 38 industrielanden een tijdsschema opgesteld om tegen 2012 tot een algemene vermindering te komen van de uitstoot van broeikasgassen, met ondermeer tegen 2012 een reductie van 5,2% in vergelijking met 1990 voor wat CO2 betreft. De voornaamste instrumenten betreffen de marktwerking. De 15e jaarlijkse samenkomst van de Conferentie van Deelnemers zal dus in december 2009 plaats vinden te Kopenhagen om te onderhandelen over het vervolg van het protocol. Die onderhandelingen zullen in hoofdzaak gaan over het vastleggen van nationale doelstellingen inzake reductie van koolstofuitstoot (en of die verplicht dan wel facultatief zullen zijn), het type van instrumenten dat daarvoor nodig is, de compensatiemogelijkheden tussen de landen en de instrumenten die daarvoor nodig zijn - in de eerste plaats de markt om koolstofuitstoot te verhandelen. Sinds april 2009 tot december van dat jaar, waren er al voorbereidende vergaderingen van de UNFCCC.

Landengroepen en pressiegroepen

De klimaatsonderhandelingen gebeuren op basis van regionale groepen of landencoalities. De Alliantie van kleine Eilandenstaten in Ontwikkeling telt 43 leden die bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatsveranderingen, net als de groep van minder geavanceerde landen die met 49 zijn, terwijl de G77-China bestaat uit 129 ontwikkelingslanden plus China.

De coalitie van landen met regenwouden (Rainforest Coalition) probeert om de inspanningen te doen erkennen die gedaan zijn om de uitstoot als gevolg van de ontbossing te verminderen. Het Internationaal Forum van Inheemse Volkeren tegen de Klimaatsverandering wordt op dit ogenblik niet erkend als partner, maar vraagt om vooralsnog erkend te worden. Aan de andere kant hebben de rijke landen zich verenigd in de groep van de Europese Unie of in de "paraplugroep". Die laatste bestaat onder meer uit de VSA, Canada, Japan, AustraliŽ en Rusland. Maar gelijklopend met deze UNO-discussies worden de klimaatproblemen ook besproken in de schoot van de G8 of de G20, wat kan leiden tot een marginalisering en delegitimering van het UNO-processus.
Ook de "Ontmoeting van de Belangrijke EconomieŽn inzake Energie en Klimaat", opgericht op initiatief van de VSA om een klimaatregime overeen te komen voor de periode na 2012, kan dat effect hebben. Als de Europese positie het verste gaat (een vermindering van 20% van de uitstoot tegen 2020 vergeleken met 1990, of zelfs van 30% in geval van een ambitieus klimaatakkoord, dan is het standpunt van de VSA (ongeveer 16%) niet van die aard dat er een dynamiek ontstaat die kan leiden tot een positief onderhandelingsresultaat waarmee ook de opkomende landen zouden kunnen instemmen.

Daar komt nog bij dat er op grote schaal wordt gelobbyd, vooral door de World Business Council for Sustainable Development (WBCSD), die meer dan 200 multinationals groepeert. Die WBCSD ligt aan de basis van een Global Business Day, die ondermeer in Poznan plaats heeft gevonden, in december 2008, tijdens de laatste samenkomst van de leden van de Klimaatconventie van de UNO. Die Global Business Day werd "georganiseerd om de dialoog te faciliteren tussen de hoogtechnologische bedrijven en de regeringsexperts"(2). Duidelijker kan niet. In mei 2009 werd er in Kopenhagen een World Business Summit on Climate Change gehouden die zeker zijn plaats zal opeisen tijdens de onderhandelingen te Kopenhagen. Die onderhandelingen starten dus onder een heel ongunstig gesternte, tenzij de mobilisatie van de burgerbewegingen de verschillende deelnemende staten kan aanzetten om hun engagement in positieve zin te herzien.

De eisen van Attac en de Amis de la Terre
Climate Justice Now !

Het Climate Action Network (CAN) is een internationaal netwerk van 450 NGO’s en behoort tot de brede burgerbeweging. Dat netwerk heeft in december 2008, te Poznan, een rechtstreekse oproep gedaan tot de verantwoordelijken van de Europese Unie waarin gewezen wordt hoe belangrijk hun rol is in het slagen van de conferentie. Daarnaast heeft de CAN elke dag in de hal waar de onderhandelingen plaats vonden, de uitreiking van de "Fossil of the Day AWARD" georganiseerd. De bedoeling was om in aanwezigheid van de journalisten de landen aan de kaak te stellen die het meest de onderhandelingen hebben vertraagd. Zo werd Canada uitgeroepen tot de grote “"overwinnaar" in deze vertragingsmanoeuvres.

Het netwerk "Climate Justice Now!" dat op Bali is ontstaan, tijdens de Klimaatconventie van de UNO (UNFCCC) in 2007, groepeert meer dan 160 internationale netwerken gelieerd aan NGO’s, sociale bewegingen (waaronder Attac, Les Amis de la Terre, Via Campesina, Focus on the Global South, International Forum on Globalization …). Het is radicaler en wijst op de hoogdringendheid van het klimaatprobleem dat aan de basis ligt van de crisis van het dominante productie- en consumptiemodel en van de neoliberale politiek. Het netwerk was in Poznan (2008) sterk vertegenwoordigd en heeft ondermeer bijgedragen tot het zichtbaar maken van het Forum van Inheemse Volkeren, het aanklagen van de pogingen om de bossen en de landbouwgrond te betrekken bij de koolstoffinanciering, het benadrukken van de noodzaak van een mondiaal klimaatfonds onder beheer van de UNO als tegenzet voor de pogingen van de Wereldbank om zich op te werpen als centrale structuur voor de financiering van de strijd tegen de klimaatsverandering door middel van koolstof verhandeling op de vrije markt.

Voor die groepen moeten de beslissingen van Kopenhagen onmiddellijk naar de kern van de zaak gaan. Ze moeten dus afrekenen met de productivistische logica. Daarom moeten ze uitgaan van twee principes: het eerste is dat van sociale rechtvaardigheid en van solidariteit met de landen die het ergst zijn getroffen door de klimaatsverandering en het tweede dat van de erkenning van de historische verantwoordelijkheid van de industrielanden.

De stelling van Attac en van Les Amis de la Terre volgt daarom drie denksporen:

  1. De doelstellingen betreffende de reductie van broeikasgassen van de industrielanden moeten minstens 40% bedragen voor de tijdspanne tussen 1990 en 2020 en 90% tegen 2050. Die doelstellingen beantwoorden aan de aanbevelingen van de IGCE en zijn veel ambitieuzer dan deze die de Europese Unie vandaag vooropstelt (20% tegen 2020, in vergelijking met 1990).
  2. Elk land moet die doelstellingen bereiken binnen zijn eigen grondgebied. Dat houdt de afschaffing in van de flexibiliteitsmechanismen, onder meer deze die de bedoeling hebben om de markt uit te breiden tot de kredieten tegen de ontbossing en voor de opvang van koolstofuitstoot. De voorstellen in verband met de markt van de uitstootrechten (zoals de Europese markt) liggen nog ter discussie. Maar hoe dan ook is dat mechanisme alleen maar aanvaardbaar onder heel strikte voorwaarden, met ondermeer het verplicht betaalbaar maken van alle rechten, het invoeren van een bodemprijs per ton koolstofequivalent, die bodemprijs beperken tot de geografische omschrijving waarbinnen de regulering van de betrokken staten of statengroepering geldt en het verbod die rechten te verhandelen op afgeleide markten.
  3. Een waarachtig international akkoord, waar ook de landen van het Zuiden zich bij kunnen aansluiten is maar mogelijk mits het erkennen van de ecologische schuld van de landen van het Noorden en het invoeren van een openbaar financieringssysteem voor de strijd tegen de klimaatsverandering. De daarvoor nodige fondsen, onder beheer van de UNO, moeten het mogelijk maken programma’s te starten en volledig uit te voeren, die de plaatselijke productiesystemen doen herleven, met de bedoeling dat ze sociaal rechtvaardig en ecologisch aangepast worden.

(1) Volledig rapport van de IGCE, hoofdstuk 10, p.824-825

(2) website van het WBCSD, waar nog andere soortgelijke zinsneden te lezen staan.


Dit dossier werd door Attac (Frankrijk) gerealiseerd samen met Les Amis de la Terre op basis van de Attac-brochure: "Pour une justice climatique, libťrons le climat de la finance" en de brochure van Les Amis de la Terre : "Climat, le point de non-retour", Le Courrier de la Baleine, nr. 158.

De vertaling van Koen Dille verdient onze vreŽ dank.


Spip-redacteur:   francis
 
 
In- & Uitschrijven
Zand in de machine




Attac persberichten




Kalender
« Februari 2018 »
M D W D V Z Z
29 30 31 1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 1 2 3 4
 
Trefwoorden
 
 Attac Vlaanderen  |  Statistieken  |  Privé-ruimte  |  Alle rubrieken  |  Alle documenten

Verwittiging - De gepubliceerde documenten weerspiegelen, tenzij anders vermeld, niet noodzakelijk het standpunt van Attac Vlaanderen. Zij zijn de standpunten van hun auteur(s) en eventueel van werkgroepen of andere organisaties. Dat de documenten hier gepubliceerd worden is omdat wij willen meegenieten van beschikbare ideeën en expertises om samen onze toekomst te heroveren en aan die andere mogelijke wereld te werken.

Logo Creative Commons
Alle teksten van deze site mogen gebruikt en gecopiëerd worden onder de voorwaarden van toepassing van de Creative Commons Licentie.