Attac logo
Associatief netwerk voor een Taks op financiële Transacties
en voor het Aansterken van de Civiele maatschappij
Beginpagina    Zand in de Machine    ZidM > 02 - 03/2012    Verslag 3e Jaap Kruithof Lezing  
| thema: Jaap Kruithof  |
 

Verslag 3e Jaap Kruithof Lezing

> Derde Jaap Kruithof lezing in Gent - gepubliceerd op 16 maart 2012

Derde Jaap Kruithof lezing in Gent: Een avond over neoliberalisme, antikapitalisme, arbeid, klassenstrijd, sociale zekerheid en solidariteit, meer dan ooit…solidariteit. En over de dialectiek van een rozelaar.


Lees verder...

Op 13 maart werd in Gent de derde Jaap Kruithoflezing georganiseerd door Democratie 2000, Attac Vlaanderen en Vzw. Trefpunt, drie organisaties die de overleden moraalfilosoof nauw aan het hart lagen. Met dank aan de ondersteuning door ABVV Oost-Vlaanderen voor de prachtige locatie, de Fernandezzaal in “Ons Huis” op de Vrijdagmarkt. Jaap Kruithof overleed op 25 februari 2009. Hij zal steeds herinnerd worden omdat hij altijd uit de bevroren oevers van de universiteit trad, ongenadig het economische systeem analyseerde en voortdurend de mensen een geweten schopte. Hij kon een groot publiek begeesteren met zijn doorgedreven analyses over hoe alles, tot en met mens en natuur zelf, ondergeschikt geraakt is aan marktdenken en winstbejag.

Op de eerste Jaap Kruithof lezing in 2010 sprak Jan Blommaert en in 2011 was de Nederlandse socialist Jan Pronk de eregast. Dit jaar viel die eer te beurt aan Rudy De Leeuw, voorzitter van het ABVV.

Omdat Rudy De Leeuw een belangrijk speerpunt is in de strijd tegen de besparingspolitiek van Di Rupo I, waarbij opnieuw de werknemers opdraaien voor een crisis die zij niet veroorzaakt hebben terwijl het grote geld, de vermogens en de grote bedrijven en speculanten, opnieuw de fiscale dans ontspringen.
Omdat de voorbije maanden er vanuit de werkgeversorganisaties en sommige politieke partijen een regelrechte ideologische oorlog is gevoerd tegen het syndicalisme en vooral de sociale strijd. Omdat Jaap Kruithof in zijn boek “Het neoliberalisme” (EPO, 2000) citeerde ““In het neoliberale tijdperk bevinden de vakbonden zich in een moeilijke positie. De werkgevers-ondernemers hebben veel meer macht en zijn beter georganiseerd dan de werknemers-loontrekkenden. Ze hebben meer invloed op de publieke opinie via de door hen beheerste massamedia. Vakbonden maken een wezenlijk deel uit van de linkerzijde en daarom verdienen ze gesteund en ontwikkeld te worden. Antisyndicalisme is uit den boze. Werknemers behoren tot de voornaamste steunpilaren in de strijd tegen het neoliberalisme. Zij vormen een belangrijk deel van de onmisbare basis die de strijd moet aangaan ter verdediging van de slachtoffers van het huidige wereldbestel. Daarbij is de eis voor een volledige tewerkstelling de eerste opgave”.
Eric Goeman: “Een aantal keer in de week vraag ik aan mezelf: over wat zou Jaap zich vandaag, deze week, deze maand kwaad gemaakt en opgewonden hebben? Jaap zou vandaag nog meer dan vroeger zijn woede en afkeer gespuid hebben. Over de verdere commercialisering van de media en van het wetenschappelijk en universitair onderzoek. Over de hypocriete ‘oplossingen’ voor de eurocrisis van Merkozy en andere Europese leiders, die de basisstructuren van het kapitalisme willen redden door het telkens opnieuw onderstutten van de banken maar die intussen wel miljoenen werknemers laten opdraaien voor het wangedrag van diezelfde banken en speculanten vermomd als ‘financiële markten’. Over de hebzucht van die bankiers en de graaicultuur van bestuurders en van het totale aandeelhouderskapitalisme. Over de vermarkting van de universiteiten en van het onderwijs in het algemeen, over de uitholling van de publieke diensten, over de pleidooien om de armen te straffen en te disciplineren. Maar ook over de weeë oproepen voor het herstel van conservatieve normen en waarden. Over de afkalving van de macht en invloed van de Verenigde Naties en over de geschonden beloftes van Obama. Maar ook over het gejank over en van de ‘hardwerkende Vlaming’, het gestook tegen de luie Grieken en Portugezen. Over de kruistocht tegen de vakbonden en tegen de sociale strijd, het gestook tegen de babyboomers om zo de sociale strijd om te buigen tot een generatieconflict. Over de entertainmentliefdadigheidskermis van Music for Life en de terreur van televisiekoks en beursnoteringen. En hij zou luidruchtig zijn ergernissen geuit hebben tegenover de begrotingspolitiek van de regering Di Rupo I die opnieuw de rijken en de grote bedrijven niet durft aan te pakken, het grote geld laat lopen, niet durft te raken aan de miljardencadeaus van de notionele intrestaftrek maar wel de jacht op de werklozen inzet.

Hij zou de Arabische revoltes en de opstanden van de jongeren, maar ook de sociale strijd in Griekenland, het globale verzet van de ‘verontwaardigden’ en de Occupybeweging in het hart van de financiële systeem Wall Street, volop omarmd hebben. Hij zou wellicht gewaarschuwd hebben voor te overdreven euforie. Omdat de tegenstander – het conglomeraat van financiële markten en transnationale corporaties – misschien wel even in de touwen ligt maar zeker niet verslagen is. En omdat de restauratie van dit machtssysteem van ongebreidelde winstaccumulatie een reëel perspectief blijft, zonder veel regulering, en met steun van het politieke centrum dat opnieuw eieren voor zijn geld zal kiezen. Maar waarschijnlijk zou hij zich ook opgewonden hebben over ‘kamperen’ als actievorm, over frietrevoluties, feesten en dansen voor België, manifesteren of uit de kleren gaan (of uw baard laten staan) voor ‘een regering’, het oeverloze getwitter en het engagement via Facebookgroepen. Ik hoor het hem zo zeggen met zijn ietwat schorre stem van de laatste jaren: ‘Ze mogen het gerust doen maar Japie doet niet mee met dat softe gedoe.’ Jaap was niet een man van de uitgestoken consensushanddruk maar van de strijd der klassen. In die strijd moest je een kamp kiezen. Altijd. Het kamp van de wanhopgien, de ontmoedigden, de gedemoraliseerden die het niet meer zien zitten. Ik ben dan ook zeer blij dat het radicale linkse gedachtengoed van Jaap Kruithof via een nieuw boek uitgegeven door EPO met een krachtige selectie uit zijn omvangrijke oeuvre bewaard zal blijven en hopelijk ook zijn weg zal vinden naar een nieuw lezerspubliek. Indien al de lezers van “Hoe durven ze?” van Peter Mertens daarna ook de teksten van Kruithof ontdekken zijn we een stap dichter bij het her-denken van de strijd der klassen.”

Omdat in dezelfde week een boek verscheen met een selectie uit het werk van Jaap Kruithof, gebundeld door Rik Pinxten, Ronald Commers en Luc Desmedt en uitgegeven door EPO onder de titel “Jaap Kruithof. Teksten voor de Toekomst”, werd aan EPO redacteur en Kruithof kenner par excellence Hugo Franssen gevraagd om de inleiding op het werk en radicale linkse denken van Kruithof te verzorgen. Daarna verzorgde Francine Mestrum, lid van de internationale raad van het Wereld Sociaal Forum, auteur en activiste, een lezing onder de titel “De klassenstrijd her-denken”.
Francine Mestrum: “Jaap Kruithof zag zichzelf als een radicaal antikapitalist. Of hij ook marxistisch was, durfde hij zelf betwijfelen. Hij keek met een scherpe en genadeloze blik naar de linkerzijde en aarzelde niet om er de zwakheden van bloot te leggen. Hij heeft ons uitgenodigd en aangespoord om blijvend kritisch te kijken naar wat het kan betekenen om ‘links’ of ‘socialistisch’ te zijn. Ik wil daarom vragen stellen bij de actualiteit van het ‘klassenconflict’, niet om het ontkennen, wel om er vanuit de realiteit van de huidige crisis een nieuwe inhoud aan te geven. Want wat de linkerzijde vandaag dringend nodig heeft, is een nieuw, aantrekkelijk groot verhaal waarmee de dreiging van nationalisme en onverdraagzaamheid kan afgewend worden.”


Een eerbetoon aan Jaap Kruithof, zelf een verdienstelijk klassiek geschoold pianist, kan niet zonder een klassiek concert. Het publiek kon genieten van de jonge Franse violist Igor Pollet, student van Prof. Lilia Umnova aan het Conservatorium Gent en laureaat van de Grand Prix International Violin Competition "Flame", Parijs, 2009.



Hij bracht van J. S. Bach het Adagio uit Sonata G-Moll voor viool solo en van de componist Vitautas Barkauskas het Partita voor viool solo.

En dan kwam het sluitstuk van de avond, de derde Jaap Kruithof lezing zelf door ABVV voorzitter Rudy De Leeuw onder de titel “Sociale zekerheid en solidariteit”. In zijn lezing maakt hij radicaal brandhout van de ideologische oorlog vanuit de liberale rechterzijde en de Vlaamsnationalisten tegen het solidariteitsmonument van de arbeidersbeweging: de sociale zekerheid.

Hieronder de derde Jaap Kruithof lezing door Rudy De Leeuw:


Rudy De Leeuw, ABVV Voorzitter
Jaap Kruithof Lezing 2012.
13 maart 2012.
Fernandezzaal, Ons Huis, ABVV Gent (met dank aan Nora, Eric, Luc en Jef)

Solidariteit en onze sociale zekerheid
Inleiding
De uitbouw van een welvaartsstaat hangt samen met de organisatie van de solidariteit.
De organisatie van de solidariteit wordt uitgewerkt voor de hele bevolking van een staat en is er de essentie van.
Bismarck wist de Duitse éénheidsstaat uit te bouwen en wist sociale opstanden te voorkomen door reeds eind negentiende eeuw , wetten op de ziekteverzekering, de arbeidsongevallen en de pensioenen uit te bouwen voor het hele Duitse grondgebied.
Op Europees vlak willen we komen tot een verdieping van het sociaal model door de uitbouw van gecoördineerde Europese collectieve onderhandelingen, de invoering van een betere sociale bescherming en de bestrijding van de fiscale concurrentie tussen de lidstaten, door een Europees fiscaal beleid.
Er zijn een aantal materies die de federale solidariteit waarborgen en waarvan het jongste ABVV congres duidelijk stelde dat die federaal moeten blijven:

-  het loonoverleg

-  het arbeidsrecht

-  de sociale zekerheid.

-  de vennootsschaps- en personenbelasting.
We gaan er daarbij vanuit dat elke (natuurlijke) persoon en rechtspersoon moet bijdragen aan de bijstand en de sociale zekerheid en de plicht heeft belastingen te betalen om de openbare diensten te financieren.
Zoniet kan men niet meer spreken over een federale welvaartsstaat, en wordt de sociale staat de facto op een ander niveau georganiseerd.

Vandaag wil ik me beperken tot de solidariteit zoals ik ze zie binnen de sociale zekerheid, van de werknemers privé-sector.
De sociale zekerheid van de werknemers is een stelsel gebaseerd op enkele grote principes :
°verplichte bijdragen en recht op uitkeringen;
°verzekering tegen inkomensverlies en tegen bepaalde kosten (kinderzorg, gezondheidszorgen);
°solidariteit : niet plafoneerde bijdragen, maximumuitkeringen en minimumuitkeringen, tussen actieven en niet actieven. Armoede met of zonder sociale zekerheid.
Alhoewel het niet de enige rol van de sociale zekerheid is, speelt de sociale zekerheid een essentiële rol in de bestrijding van de armoede (bijvoorbeeld een gezonde betaalt voor een zieke). Zonder de sociale bescherming, zou het armoedrisico 27% bedragen (ipv. 14,7%)
Armoede heeft een oorzaak en een gezicht : ofwel is men werkloos, ofwel is men gepensioneerd, maar sommige armen hebben zelfs een baan, alhoewel beperkt tot 3,2% van de werkenden, dankzij minimumloon. Bovendien is een arme eerder een vrouw dan een man.

Sociale zekerheid is niet te duur.
De kosten voor de ziekteverzekeringen lopen in de Verenigde Staten hoog op.
Gezondheidszorg:

- VS: 15,3 % bbp waarvan slechts 45% publiek gefinancierd is.

- België: 10,1% waarvan 71% publiek. De rest is remgeld of privé verzekering.

Dus in de VS wordt de helft meer besteed dan wat we in België aan ziekteverzekering besteden.
Toch zitten 40 miljoen Amerikanen zonder ziekteverzekering. Sinds de crisis hebben nog eens 6 miljoen Amerikanen hun verzekering verloren.
Bovendien hebben zelfs de verzekerden heel wat moeilijkheden om dekking te krijgen ingeval van ziekte. Vele kleine lettertjes in de contracten, maken dat je soms tegen de controlediensten van privéverzekeraars moet opboksen ( cfr. film Michael Moore). Niet dat bij ons alles koek en ei is. In de ziekteverzekring loopt het remgeld (=eigen deel in de kosten ) op tot 25 à 30 %. Maar uit onderzoek blijkt dat meer dan 90% van de Belgen tevreden is over de ziekteverzekering en de kwaliteit van de gezondheidszorg.

Sociale zekerheid is goed voor de economie.

De huidige transferten krikken de levenstandaard van 40% van de Belgen gemiddeld met ongeveer 8 procent op. Deze inkomensstijging wordt bovendien hoofdzakelijk omgezet in consumptie, waarvan de ganse economie geniet. Deze solidariteit is dus draaglijk.

Sociale zekerheid / de transferten ?
• Het is een verkeerd uitgangspunt om transferten in het kader van de SZ te beoordelen vanuit een verdeling tussen de gewesten: SZ gaat over solidariteit tussen personen, niet tussen gewesten en/of gemeenschappen.

• De transferten tussen hoge lonen en lage lonen is 5 keer hoger; tussen 20% armsten en 20 % rijksten zelfs tien keer hoger. Transfert tussen mensen wordt transparanter dan als men kijkt door een regionale bril . (André De Coster, KUL/DM 28/5/2010)

• Transferstromen zijn overigens omkeerbaar (cfr.vergrijzing die veel voelbaarder zal zijn in Vlaanderen dan in Wallonië en zeker dan in Brussel)

o Het aandeel van de Vlamingen in de Belgische bevolking zou in 2050 dalen tot 55,4% (vandaag 58%); het aandeel van Wallonië stijgt van 32,6% naar 34,5% , en van Brussel van 9,4% naar 10,1%.

o De afhankelijkheidsgraad (aantal 65plussers gedeeld door het aantal potentieel actieven (20-59 jr) situeert zich vandaag op 30,8% in Vlaanderen. Dit betekent dat er voor één oudere iets meer dan drie actieven zijn. De vergrijzing laat zich het sterkst voelen in Vlaanderen waar de afhankelijkheidgraad in 2050 nog 61% zou bedragen. Dat betekent dat er net iets minder dan twee actieven zouden zijn voor één 65plussers .

o Met slechts 55% van de bevolking zal Vlaanderen 60% van de 65plussersr vertegenwoordigen.

o De afhankelijkheidsratio ligt vandaag in de twee andere regio’s op ongeveer hetzelfde niveau als in Vlaanderen: 30,6% in Wallonië en 29,8% in Brussel. Maar in de twee andere regio’s zal hij in 2050 gevoelig lager liggen: 53,5% in Wallonië en 40,4% in Brussel tegen 61% in Vlaanderen.

• Er is geen sprake van een systematische overconsumptie door één regio.

o Inzake gezondheidszorg bedraagt het aandeel van Vlaanderen 57,25% voor een bevolkingsaandeel van 57,9%; terwijl dit voor Wallonië 33,09% bedraagt voor een bevolkingsaandeel van 32,53%. Vandaag is duidelijk aangetoond dat er van overconsumptie in Wallonië geen sprake is, noch op het gebied van gezondheidszorg, noch op dit van de sociale zekerheid in het algemeen.

o Wallonië heeft wel een groter aandeel van de uitgaven voor kinderbijslag dan zijn bevolkingsaandeel (34,1%) tegen 55% voor Vlaanderen. Dit heeft onder meer te maken met de toekenning van sociale toeslagen. Nochtans zijn er verschillen tussen de categorieën sociale toeslagen. Inderdaad, de verhoogde kinderbijslag voor werklozen wordt vooral in Wallonië uitbetaald, terwijl de sociale toeslagen voor gepensioneerden vooral in Vlaanderen te vinden zijn. Wat de gehandicaptenuitkeringen betreft stellen we vast dat er een gelijke verdeling is tussen arrondissementen en regio’s. Uit een evaluatie van de Rijksdienst voor Kinderbijslag van de Werknemers, voor de periode 2000-2050, blijkt een grotere geografische spreiding van de arrondissementen die een mediane positie bekleden.
o Voor de werkloosheidsuitkeringen is er wel een groot verschil: de totale uitgaven incl. werkloosheidsuitkeringen bedragen resp. 50,5% voor Vlaanderen en 37,8% voor Wallonië.
Voor Brussel gaat het om 11,7% voor een bevolkingsaandeel van 9,4%.
Nochtans bestaat er een belangrijk regionaal verschil tussen de basisuitgaven in de werkloosheid en de andere uitgaven van de RVA m.b.t. het brugpensioen, de activering of werkgelegenheidsbevorderende maatregelen, zoals de dienstencheques en tijdskrediet.

Vlaanderen Wallonië Brussel
Normale werkloosheid 44% 42% 14%
Andere uitgaven RVA 64,5% 30,5% 4,5%
(Bron: jaarverslag 2004 RVA)

In Wallonië zijn er ook driemaal meer werklozen met wachtuitkeringen ( inschakelingsuitkeringen ) dan in Vlaanderen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat er in Wallonië verhoudingsgewijs meer begunstigden van activeringsmaatregelen geteld worden. In andere categorieën worden er verhoudingsgewijs meer Vlaamse werknemers geteld (brugpensioenen, tijdskrediet, dienstencheques…)
? Wat de pensioenen betreft blijkt uit een regionale verdeling dat de spreiding tussen pensioenen en inwoners momenteel nagenoeg gelijk is. Maar in Vlaanderen zal de vergrijzing zich eerder laten gevoelen dan in Wallonië waardoor een groter aandeel van de pensioenuitgaven naar de Vlaamse gepensioneerden zal gaan. Het gemiddeld pensioen in Vlaanderen ook hoger.
• De onevenwichtige verdeling wordt dus vooral door de bijdragen verklaard. Met 33% van de bevolking vertegenwoordigt Wallonië 26% van het BBP. Het debat over de transferten binnen de sociale zekerheid heeft dus niets te maken met een debat over het al of niet misbruiken van de uitgaven, maar over de grenzen die men aan de interprofessionele solidariteit , een solidariteit tussen mensen, wil opleggen.

o Die interprofessionele solidariteit ligt ten grondslag van alle sociale zekerheidsstelsels. De sociale zekerheid wordt gefinancierd in functie van de draagkracht van eenieder en volgens de behoeften van éénieder, volgens over het gehele grondgebied geldende regels. Als gevolg van de hogere werkgelegenheidsgraad en het hoger gemiddeld inkomen is de draagkracht momenteel hoger in Vlaanderen dan in Wallonië.

Maar is het verantwoord om op die basis een "rechtvaardige return" op te eisen, namelijk dat men een globaal prestatieniveau geniet dat gelijkwaardig is aan de bijdrage die men aan het stelsel levert?

Hoewel onze sociale zekerheid in sterke mate gebaseerd is op het verzekeringsprincipe (werkloosheid, pensioenen, invaliditeit,…), toch hebben de solidariteitsprestaties een steeds belangrijker plaats ingenomen via de veralgemening van de gezondheidszorg of het groeiend belang van de afgeleide rechten.

o Sinds ontstaan van België 1830 heeft Wallonië 130 jaar (tot 1960) meer betaald, Vlaanderen 40 jaar (sinds ca 1970). In de negentiende eeuw was dat weliswaar beperkt omdat we geen sociale bescherming kenden. De industriële ontwikkeling in Wallonië was wel heel de tijd de locomotief van de economie.

o Bovendien bestaat de solidariteit binnen de diverse takken van de sociale zekerheid (bijv. ca. 75% van de totale uitgaven in de gezondheidszorg gaan naar 10% van de bevolking), maar sinds de invoering van het globale beheer ook en vooral tussen de diverse takken.
Bepaalde takken uit het stelsel lichten betekent de afbouw ervan. De samenhang binnen het globaal beheer zal onontbeerlijk zijn om de uitdaging van de vergrijzing het hoofd te bieden.
De vooruitzichten van de Vergrijzingscommissie wijzen erop dat de groei van de gezondheids- en de pensioenuitgaven tegen 2030 gedeeltelijk gecompenseerd moet worden door de dalende trend in de werkloosheids- en in de kinderbijslagsector.

• Transferten kun je ook op een lager niveau bekijken dan dit van de gewesten. Als de herverdeling op provinciaal niveau bekeken wordt dan zijn niet alle Waalse provincies netto ontvangers: Waals-Brabant bijvoorbeeld draagt meer bij dan het terugkrijgt en West–Vlaanderen profiteert van de herverdeling.
Zes van de acht West-Vlaamse arrondissementen ontvangen meer dan ze bijdragen. Enkel Brugge en Kortrijk dragen netto bij!

• De omvang van de transferten ligt volgens sommige studies niet hoger binnen het federale België dan in andere federale staten. Als we ervan uitgaan dat de transferten van uit Vlaanderen iets meer dan 4% bedragen dan is dit vergelijkbaar of lager dan de solidariteit binnen regio’s in vele andere Europese landen.

• De manier waarop de solidariteit in de sociale zekerheid
systematisch wordt voorgesteld in termen van transferten laat sporen achter bij van vele militanten. Voor hen gaat het over verbondenheid tussen mensen in ons land , ongeacht of ze al of niet in andere regio wonen.

Sociale zekerheid op federaal niveau.

SZ wordt best op het hoogste beleidsniveau binnen een federale staat georganiseerd (cfr. beperkingen van de Vlaamse zorgverzekering die tot aberratie leidt: alle inwoners van alle lidstaten die in Vlaanderen of Wallonië of Brussel komen wonen hebben hier recht op, behalve de Walen).

• De toekomst van de sociale zekerheid is voor een groot stuk afhankelijk van de sterkte van de economie.

Het is juist dat Wallonië, dat een veel vroeger geïndustrialiseerd werd dan Vlaanderen, haar oude industrie zag afkalven. Beide regio’s hebben echter nood aan een nieuw industrieel beleid met veel meer ruimte voor innovatie en een verhoging van de productiviteit. Daarom moeten de krachten gebundeld worden, net zoals we dit eisen op Europees niveau

“Waarom zouden de Vlaamse onderzoeksinstellingen en universiteiten niet samenwerken met Waalse spin-offs en onderzoeksinstellingen en omgekeerd? België heeft enorm veel competentie in huis inzake biotechnologie. De cluster en onderzoekscentra rond Luik werken nauwelijks samen met het Vlaams Instituut voor de Biotechnologie.”

Voor het ABVV moet het komende debat over een echt relanceplan gaan, gericht op het behoud en de creatie van kwaliteitsvolle jobs. Een plan dat, in samenwerking met de gewesten, bijdraagt om de overgang te maken naar een meer innovatieve en groenere economie.

Dergelijke samenwerking zou onze gezamenlijke positie in de geglobaliseerde wereld verstevigen. Er is binnen de Belgische staat dus meer nood aan samenwerking tussen de regio’s dan aan het organiseren van extra concurrentie tussen de regio’s via fiscaliteit of loonkosten.

• Een ander niet te verwaarlozen risico is dat van een vermindering en een privatisering van de prestaties in de sociale zekerheid.
Het gevaar is groot dat de eis tot doorgedreven regionalisering van het werkgelegenheidsbeleid en bepaalde vervangingsinkomens (werkloosheidsuitkeringen) leidt tot een vermindering van de prestaties onder het mom van de strijd tegen de werkloosheidsvallen. Dit gevaar is des te groter als de Gewesten elkaar gaan beconcurreren op het vlak van de loonkosten.

In het kader van een gesolidariseerd systeem kan de dekking van de risico’s beter gewaarborgd worden naarmate de inningsbasis breder is.
In het kader van de afbouw van een deel van die solidariteit komt men vlug terecht in een debat over de rationalisering van de kosten, in het bijzonder op het vlak van de gezondheidszorg en de pensioenen.
Onder het voorwendsel van meer efficiëntie, responsabilisering, lastenverlaging,… zit men vlug op het terrein van een basis-sociale zekerheid.
Zeer waarschijnlijk hebben een aantal pleidooienvoor de regionalisering van de sociale zekerheid ook tot doel ons stelsel te verzwakken en bepaalde delen ervan te privatiseren.
En dan zwijgen we nog over het feit dat een volledige splitsing van de sociale zekerheid voor onze medeburgers in de andere regio’s - bij een onveranderd niveau van de prestaties - tot een tekort van 2,9 miljard euro (raming KUL 2002) zou leiden. Een ongelijkheid van dergelijke omvang organiseren, is sociaal onaanvaardbaar, een welvaartsstaat onwaardig.
Het argument van het behoud van homogene, coherente bevoegdheidspakketten kan eveneens gebruikt worden om in te gaan tegen bepaalde eisen voor regionalisering.

Er werd gepleit voor een regionalisering van de werkloosheidsuitkeringen (met inbegrip van de activeringsmaatregelen), maar voor het federaal houden van de andere vervangingsinkomens zoals de pensioenen, de uitkeringen voor arbeidsongevallen of beroepsziekten, de ongeschiktheids- en de invaliditeitsuitkeringen (hoewel zij beide te maken hebben met het gezondheidsbeleid).
In geen enkel manifest of verklaring is er sprake van een regionalisering van het beleid inzake sociale bijstand.

Als men één van die vervangingsinkomens naar de regio’s zou overhevelen, verbreekt men de band en de samenhang met de andere vervangingsinkomens. De verlaging op regionaal vlak van sommige uitkeringen of zelfs de afschaffing van bepaalde werkloosheidsuitkeringen (wachtuitkeringen, beperking van de uitkeringen in de tijd,…) zou onmiddellijk leiden tot transfers naar andere takken (bijv. invaliditeit, sociale bijstand) die federaal gebleven zijn.
Naast dit aanzienlijke risico van incoherentie tussen de diverse gezagsniveaus zou dit ook leiden tot het ontwijken van de in de strijd tegen de werkloosheidsvallen nagestreefde effecten.

Het is ONZE sociale zekerheid.

Hoe is onze sociale zekerheid ontstaan ?
Ondanks de sterke industrialisering was België in de negentiende eeuw een achtergesteld land gebleven.
In tegenstelling tot Duitsland en andere Europese industrielanden, bijv. de eerste sociale beschermingswet op de arbeidsongevallen kwam pas in 1903 tot stand.
Voordien moesten we enkel rekenen op plaatselijke mutualiteiten en paternalistische organisaties.
De eerste werkloosheidskas is die van de typografen in Brussel ( geschoolden ).
De vakbondskassen moesten ingeval van crisis betalingen stoppen bij gebrek aan geld.
Gent en de provincie Luik waren de eerste openbare besturen om die kassen te subsidiëren.
In de jaren dertig van de twintigste eeuw had de werkloosheidsverzekering onvoldoende middelen en de discussie startte om de SZ verplicht te organiseren.
Pas na de tweede wereldoorlog, kwam de SZ ,zoals we die nu kennen, tot stand, voortbouwend op wat bestond , maar met een duidelijke stap voorwaarts : verplichte bijdragen. Van bescherming wou men naar vooruitgang ! Al in 1947 werd opgeroepen tot een fundamentele hervorming :42% ontevredenen : 38 % zag misbruiken, 44% vond de bijdragen te hoog …

De inkt van het naoorlogse sociaal pact was nog niet opgedroogd, en is trouwens nooit ondertekend geweest, zelfs niet geparafeerd !

Enkele slotbeschouwingen.
Naast de politieke democratie heeft de arbeidersbeweging in dit land een sociale democratie uitgebouwd waarvan de pijlers ook federaal georganiseerd zijn: denk maar aan de sociale zekerheid; de federale fiscaliteit (BTW, Personenbelasting, Vennootschapsbelasting ) die de openbare diensten federale en gefedereerde entiteiten (zeker de gemeenschappen) grotendeels financiert; het arbeidsrecht; het sociaal overleg met de federale loonvorming en de cao’s. Dit alles zorgt voor een solidariteit tussen alle werknemers en uitkeringsgerechtigden in ons land.
“Geen revolutie” zeggen de nationalisten, maar ze willen wel de sociale zekerheid - die ons zo beschermt heeft tegen de crisis, splitsen of uithollen Dit laatste bleek nog eens uit hun oorspronkelijke plannen om 13 miljard te schrappen in uitkeringen, kinderbijslagen en gezondheidszorg. De uitgaven in de sociale zekerheid zouden terug gebracht worden op het niveau van voor de bankenkrisis. Een gepensioneerde zou al vlug 100 euro per maand minder gekregen hebben, zijnde 1200 euro per jaar. Wij zeggen :’De sociale zekerheid is als dijken , die ons beschermen tegen overstromingen, die de krisissen zijn. Omdat we niet zeker zijn dat er geen overstromingen meer zullen zijn , zullen we deze dijken niet laten ondergraven.’
Ons land kende al 5 staatshervormingen die Gewesten en Gemeenschappen ruime eigen bevoegdheden gaven, en er is nu een politiek akkoord over de 6de staatshervorming Meer overdrachten kunnen volgens ons op voorwaarde dat alle werknemers in dit land daar beter van worden. Dat kan volgens mij maar als er een snijpunt gevonden wordt tussen een regionale autonomie die borg staat voor een slagkrachtig beleid en een sterk federaal niveau dat het behoud van een federale solidariteit waarborgt.
Aangezien een belangrijk deel van de overgedragen middelen uit de sociale zekerheid komt, is het van essentieel belang dat de sociale partners betrokken blijven bij het paritair beheer van de overgedragen bevoegdheden (met inbegrip van de kinderbijslag). Het gaat o.m. om het behoud van de financiering van die bevoegdheden d.m.v. sociale bijdragen.
Bij de uitvoering van de 6de staatshervorming zal het ABVV nauwlettend op de uitvoering ervan toekijken, en de rol van de syndicale tegenmacht en sociale gesprekspartner op elk niveau blijven opeisen, om de principes van de sociale zekerheid en solidariteit te vrijwaren.

Lezing door Francine Mestrum: De klassenstrijd her-denken

Sta me toe meteen kleur te bekennen: één) ik ben geen marxist, ik ben wel socialist; twee) verwacht vanavond geen theoretische beschouwingen. We zijn hier gewone mensen, ik wil ook gewone taal spreken.
Met één) bedoel ik dat ik denk dat het marxisme ons een zeer waardevol analysekader heeft gegeven voor het kapitalisme, maar dat we vandaag, 160 jaar na het Communistisch Manifest, verschillende stappen verder moeten zetten als we ook een toekomst voor de linkerzijde willen voorbereiden. Dat is geen kritiek op Marx, maar wel een vaststelling dat de tijd is veranderd, de economie is veranderd, de maatschappij is veranderd en het kapitalisme is veranderd. ‘Hét’ kapitalisme bestaat niet.

Ik ben socialist omdat ik materialistisch ben – in filosofische betekenis - gehecht ben aan de moderniteit en de emancipatie die daaraan vastzit, streef naar sociale rechtvaardigheid en geloof dat mensen de wereld kunnen veranderen. Het zijn mensen en samenlevingen die de zin van de geschiedenis bepalen. De vraag is, met welk politiek, economisch, sociaal systeem we die doelstellingen kunnen halen? Met twee) bedoel ik dat alles wat ik hiervanavond wil zeggen, al uitstekend werd verwoord door theoretici. Helaas worden ze té vaak gemarginaliseerd.
Dit ter inleiding.

Ik zou kort drie vragen willen stellen. Ik heb er zelf geen volledige antwoorden op, maar het zijn vragen die volgens mij moeten besproken worden als we, als linkerzijde, méér mensen willen overtuigen en als we zelf een aantrekkelijk en geloofwaardig groot verhaal willen neerzetten. Als we, kortom, de macht of een stuk van de macht op een democratische manier in handen willen krijgen. Het zijn helaas ook drie vragen waarop ik tot nog toe geen afdoende antwoorden heb gekregen van marxisten.

Mijn eerste vraag is dit: wat bedoelen we precies als we zeggen dat we anti-kapitalistisch zijn? Waarom noemen meer en meer mensen – waaronder ikzelf – zichzelf post-kapitalistisch? Als we willen dat het kapitalisme verdwijnt, wat exact moet er dan verdwijnen? Privé-bezit? Een economie in privé-handen? De markt? Loonarbeid? De Staat? Multinationals? De hogere klasse? Een accumulatieproces misschien? Die voorbeelden geven al aan dat, behalve voor een paar dogmatici, het niet zo makkelijk is om een duidelijk antwoord te geven. Want het probleem is o.m. dat er begin 21ste eeuw en een aantal toch zeer goed bedoelde pogingen, geen goede voorbeelden zijn van een geslaagde economie in het communisme of het socialisme. En dat moet ons aan het denken zetten. Een tweede reden is dat je met die voorbeelden ook hoegenaamd geen mensen zal verleiden. Wie wil er socialisme als er geen privé-bezit meer mogelijk is, geen markt of geen loonarbeid? Met zo’n programma kan je nooit verkiezingen winnen. Hoeveel vragen we ook kunnen stellen bij het belang van individuele rechten in onze samenleving, die individuele rechten zijn essentieel en niemand wil ze zien verdwijnen.

Mijn tweede vraag hangt vast aan de eerste. Wie zijn die klassen die strijd voeren met elkaar? Als het kapitalisme verdwijnt, wat doen we dan met de kapitalisten? Dat is geen onschuldige vraag maar brengt ons tot bij het hart van de vraag naar de klassenstrijd.
Marx kent grosso modo twee grote sociale groepen: enerzijds de bezitters, de kapitalisten en de bourgeosie; anderzijds de proletariërs, die in verband worden gebracht met een relatieve overbevolking en met een industrieel reserveleger. Het proletariaat van industriële arbeiders is het revolutionair subject bij uitstek. Daaronder staat het lompenproletariaat, de gevaarlijke klasse van bedelaars, criminelen, prostituees, die niet langer functioneel zijn voor het kapitalisme.

Met die indeling komen we er niet.
Ten eerste, omdat er boven dat proletariaat een brede groep van kleine middenstanders is die vaak in een veel grotere kwetsbaarheid leven dan hun arbeiders en die bij tegenslag ook veel meer risico’s lopen. Zelfs bedienden en ambtenaren lopen vandaag een groter risico op verarming dan de armen zelf. Het soberheidsbeleid is immers niet gericht tegen de armen in onze samenleving, maar wel degelijk tegen iedereen die economische en sociale rechten heeft, tegen de vakbonden, tegen collectieve onderhandelingen. Het zijn die twee groepen die vandaag tegen elkaar worden opgezet, waardoor de klassenstrijd verhuist naar de onderkant van de samenleving en de rijken ongemoeid worden gelaten.
Ten tweede, omdat er geen enkele reden is om de armen en de uitgeslotenen van vandaag niet mee op te nemen in de klassenstrijd die we wensen te voeren. Dat was al de opvatting van Flora Tristan die nog vóór Marx, begin 19de eeuw, een oproep deed tot ‘arbeiders aller landen ter wereld, verenigt U’. Marx heeft die slogan schaamteloos overgenomen en hem bovendien een andere betekenis gegeven. Voor Flora Tristan ging het wel degelijk om een heel brede onderklasse.
Dit betekent wel volgens mij, dat we met die klassenstrijd een veel bredere groep van mensen moeten beogen. En dat de arbeiders niet het enige revolutionaire subject kunnen zijn. De armen, de kleine middenstand, arbeiders en bedienden en boeren moeten mee die strijd voeren.
Er is een derde element dat de klassenstrijd in een ander daglicht zet. Socialisten zijn internationalisten, maar een internationale, ja zelf een Europese klassenstrijd zit er niet meer in. Zoals Jaap Kruithof al aangaf, de solidariteit is zoek en wordt onmogelijk. Want de grootste inkomenskloof in de wereld van vandaag is die tussen de armsten in de arme landen en de armsten in de rijke landen. De armste 5 % van de Amerikanen verdienen 35 keer meer dan de armste Zambianen. De armste Amerikanen zijn rijker dan 60 % van de wereldbevolking. Werknemers in rijke landen voelen zich bedreigd door werknemers uit arme landen dien hun job afnemen. Zelfs in rijke landen is het moeilijk om werknemers hun gemeenschappelijk belang te laten inzien in zeg maar Duitsland, Frankrijk, België, Groot-Brittannië… Er is tenslotte nog een vierde element dat ons allemaal aanbelangt, met name de milieucrisis. Het is al vaak en voortdurend gezegd, het zijn de armen en vooral de armen in de derde wereld die de eerste slachtoffers van de milieucrisis zijn. Maar uiteindelijk zal niemand aan die crisis kunnen ontsnappen. Vluchten kan inderdaad niet meer. Rijken zullen goederen kunnen kopen die door hun schaarste erg duur worden, maar de armen zullen niet welwillend kreperen en een schaarste aan schone lucht om in te ademen treft iedereen. Of met andere woorden, ondanks het klassenconflict hebben we ook gemeenschappelijke belangen. Niemand die dat vandaag beter begrijpt dan de rijken zelf. Milieuproblemen zijn niet te vatten in het schema van de klassenstrijd. Wél moeten we zoeken naar een combinatie van sociale rechtvaardigheid en klimaatrechtvaardigheid.

Maar tegen wie wordt strijd gevoerd? En wat is de inzet? Moet die 1 % waartegen de 99 % van de occupy-beweging zich afzet, ook worden uitgeschakeld? Op welke manier? Ook die vraag is belangrijk omdat tot nog toe geen enkele revolutie er een goed antwoord op gevonden heeft. Ik hoop in elk geval dat niemand de ervaringen van Rusland, China of Cambodja, en zelfs die van Cuba wil herhalen. Daar staan we dan.
De klassenindeling van Marx is niet langer geldig. We moeten de klassen anders definiëren.
Ten tweede zullen we in een internationale strijd, de belangen van de onderkant anders moeten formuleren.
En drie, met de milieucrisis hebben we, hoe dan ook, een gemeenschappelijk belang als wereldbevolking.
Vier, wat met de hogere klasse? Wat doen we ermee?
Met mijn leeftijd ben ik een kind van mei 68. In die tijd zongen we mee met de musical Hair: ‘This is the age of Acquarius, the age of harmony and understanding’. Yoko Ono en John Lennon lagen in bed voor de vrede. Dat was leuk bedacht, maar het heeft de vrede niet bevorderd.
Ik geloof ook niet in harmonie. Er is nooit echt harmonie mogelijk, noch tussen mensen, noch tussen mensen en de natuur, wat men in Bolivië ook mag beweren.
We leven allemaal, permanent, in een spanningsveld, in conflict tussen tegenstrijdige belangen, onze belangen als consument en als werknemer, b.v., of als werknemer in een rijk land die solidair wil zijn met de derde wereld maar zijn job niet wil verliezen aan een Marokkaan of een Senegalees. We leven in conflict met een klasse die mee voor welvaart heeft gezorgd, maar ons tegelijkertijd uitbuit en onder druk zet.

En zo kom ik bij mijn derde vraag, waar ik wel een paar elementen van antwoord op heb.
Hoe kan de klassenstrijd er uit zien als we weten dat er altijd conflicten zullen zijn, vandaag en ook morgen. We moeten die conflicten zeker niet loochenen, er is een klassenstrijd en die strijd moeten we voeren.
Het betekent dat we soepel moeten zijn in onze bondgenootschappen. Een zeer breed bondgenootschap voor de milieucrisis, een smaller bondgenootschap om onze collectieve onderhandelingen en ons indexmechanisme te verdedigen, een bondgenootschap met de derdewereldbeweging om ook arme landen een ontwikkelingskans te geven.
Het betekent dat we moeten beseffen dat de eigenlijke klassenstrijd nooit definitief zal gewonnen zijn. Want we gaan niet naar een klassenloze maatschappij en het kapitalisme zal nooit definitief uitgeschakeld zijn. Het wordt dus een permanente strijd om de machtsverhoudingen om te draaien. En wij hebben één voordeel: wij zijn de meerderheid. Wij kunnen onze wil opleggen om de economie en de samenleving en de politiek en de geopolitiek te ver anderen. Wij moeten ervoor zorgen dat onze strijd kan gevoerd worden op zo’n manier dat die meerderheid ook echt aan de macht komt.

Wat is daarvoor nodig?
Ten eerste: de klassenstrijd begint met een ideeënstrijd. Wat hebben we de afgelopen drie jaar fout gedaan? Waarom is de grote crisis van 2008 niet uitgelopen op een succes voor de linkerzijde en waarom is het neoliberalisme vandaag alweer in het offensief? Waarom verliezen we?
Eén van de redenen is, dat goede marxisten voortdurend het kapitalisme analyseren en zich nu afvragen of het aan zijn doodstrijd is begonnen. Ze analyseren zich kapot en denken niet na over hoe op de crisis kan gereageerd worden. Er worden analyses gemaakt van de produktiesystemen, soms ook van het handelssysteem, en zelden of nooit van het geldsysteem.
Het volstaat echter niet om de crisis uit te leggen, om aan te tonen wat er allemaal fout gaat in onze wereld. We moeten de mensen ook een alternatief kunnen bieden, kunnen tonen dat we een project op zak hebben of aan het maken zijn dat ook voor hen, voor een hele brede groep mensen, een verbetering kan inhouden. Een verhaal dat bescherming, zekerheid en hoop biedt. En dat doen we niet. Nog steeds niet. We blijven sectair en fragmentair in ons hoekje zitten en maken essentialistische analyses. Het kapitalisme IS. De Europese Unie IS. De sociaal-democratie IS.
Wel nee, niets is. Alles kan. Als we het willen. Als we het maken. Dit is geen idealistisch discours, maar het enige realistische discours dat vandaag nodig en mogelijk is.

Want maakt U zich geen illusies.
Een. Het neoliberalisme is aan een groot offensief begonnen in Europa, dit laatste eiland van welvaart, van sociale en economische rechten, van collectieve onderhandelingen en indexmechanismen, van sterke vakbonden, van bijna gratis gezondheidszorg en gratis onderwijs. Dit moet weg. Zoals het overal elders ter wereld al is verdwenen. En denk nu vooral niet dat de schuld bij een verre ‘Europese Unie’, laat staan Europese Commissie ligt. Het zijn onze regeringen die beslissen, en die het voortouw nemen. Het zijn onze regeringen die het dominante discours maken en verspreiden, samen met de financiële sector en de machtigste bedrijven. In België is het sociaalpact afgelopen.
Twee. Geloof niet dat we met een verhaal over ‘socialisme’, zonder concrete, aangepaste en aantrekkelijke strijdpunten, ergens kunnen geraken. Mensen willen geen ‘socialisme’, zeker niet als niet eens wordt gepreciseerd wat dat betekent. Kijk wel naar wat in Noord-Afrika is gebeurd. Het klopt dat het niet is uitgesloten dat er ook in onze landen rellen en opstanden losbarsten, maar denk niet dat de linkerzijde hier garen zal bij spinnen. Dat zal wel een onverdraagzame en antysyndicale rechterzijde doen. De nabije toekomst ziet er niet goed uit.

Als ik daarom één oproep mag doen, een oproep aan de linkerzijde, klein links, sociaal democraten en groenen. Werk samen. Niet zo zeer als partijen, maar als studiegroepen en werkgroepen. Overstijg de meningsverschillen, zoek naar wat we gemeenschappelijk hebben, werk aan een nieuw, aantrekkelijk, groot verhaal dat komaf maakt met de uitbuiting van mens en natuur. Dat moet kunnen. Daar ben ik van overtuigd.

Francine Mestrum, Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu)

Inleiding op derde Jaap Kruithof lezing en uitgave “Jaap Kruithof. Teksten voor de Toekomst” door Hugo Franssen


Jaap Kruithof. Teksten voor de toekomst

Hier in Gent, op Mind the book, is het boek boven de doopvont gehouden dat toont hoe eigentijds en bruikbaar Jaap Kruithof is gebleven, bijvoorbeeld met zijn ideeën over neoliberalisme: Jaap Kruithof. Teksten voor de toekomst.
Het boek is een bundeling van artikels en stukken uit zijn boeken. Professor Rik Pinxten, een van de samenstellers van het boek, ging op Mind the Book in gesprek met Peter Mertens. Die scoort deze dagen met Hoe durven ze, waarvan we vandaag al de zevende druk op de drukpers hebben gelegd. Peter trekt ermee door het land. Onderdeel van zijn boodschap is: Er zijn twee belangrijke bronnen van welvaart: arbeid en natuur. Het kapitalisme is die twee bronnen aan het uitputten.
Het ligt voor de hand: Rik Pinxten en Peter Mertens konden elkaar vinden in dat gesprek. Ik wil ook in deze inleiding die drie kernthema’s van Jaap Kruithof bekijken: arbeid, natuur en antikapitalisme.

Arbeid eerst

Jaap Kruithof zit aan de werktafel met zijn kleine kleindochter. ‘Papaap’, zo noemt ze hem. Ze heeft ‘papa’ en ‘Jaap’ aan elkaar gelinkt. En iedereen zegt nu papaap. ‘Je moet nou eens goed zien’, zegt hij tegen haar. ‘Papaap is aan het werk. Papaap schrijft een boek. Dat doe je zo: tekst schrijven, knippen en combineren.’
‘Oh, ik ga ook werken’, zegt kleindochter lief.
En dat vindt hij nu leuk en hij zegt: ‘Jij moet een mooie tekening maken en niet komen pingelen aan mijn tijd. Niet vragen: “Wat moet ik tekenen?” Dat moet je zelf weten. En als het af is, krijg ik je tekening cadeau. En dan doen we samen iets gezelligs.’ Eerst werken, dan spelen. Arbeid en lust. Lust zonder arbeid is parasiet.

Jaap Kruithof was een noeste, gedisciplineerde arbeider. Hij had, als hij aan een boek werkte, niet alleen elke dag een strikt, vast dagschema dat helemaal in het teken stond van lezen, schrijven, knippen en combineren. Nee, hij had ook een weekschema dat hem dwong binnen een vooraf bepaalde tijdslimiet elk aspect van zijn teksten uit te werken. En er waren ook maandschema’s: voor elk hoofdstuk van het boek een vooraf vastgelegd aantal weken en dagen. Een koppige planner aan het werk.

In 1984 kwam hij voor het eerst naar onze uitgeverij – Jos Hennes en ik waren er toen nog niet – met zo’n kanjer van een boek: het eerste boekdeel van Arbeid en Lust, een groot werk over zijn sociale filosofie, over de band tussen arbeid en emancipatie.

Citaat:

‘De arbeid is de rijkste en meest complexe vorm van menselijk bezig zijn. Door de arbeid worden het denken, het streven, het voelen, het waarderen, het willen en het uitvoeren tot ontwikkeling gebracht. In tegenstelling tot wat lang door velen werd gedacht, is kennisuitbreiding niet zozeer het resultaat van een louter cognitief beschouwen, een passieve contemplatie, maar wel het gevolg van een actief ingrijpen in de werkelijkheid. Door de arbeid ontwikkelt de mens zijn zin voor vernieuwing, zijn creativiteit.’ En dan volgt een passage over uitvinders, wetenschappelijk onderzoek en het maken van kunstwerken als voorbeelden van die creatieve arbeid. Direct gevolgd door de waarschuwing dat er ook louter repetitieve arbeid bestaat, dat valt niet te loochenen. Maar die kan in principe worden toevertrouwd aan machines. De basisidee van de twee boekdelen van Arbeid en Lust is dat de kapitalistische productiewijze het emancipatorische van de arbeid kapotmaakt. Het stelsel maakt arbeid afstompend en vervreemdend omdat het niet de mens eerst zet maar de winst en de hebzucht. De arbeid bevrijden van het kapitalisme is de opdracht.

Kruithof en arbeid. Werken was Jaaps lieve leven. Zoals bij zijn vader, een ingenieur uit Delft die een baan vond bij Bell Telephone. Een hoge functie, met 250 ingenieurs onder zich.

Citaat: ‘Mijn vader vond telefooncentrales uit. Ik herinner me dat ik hem goedenacht ging wensen in zijn werkkamer op de tussenverdieping. Ik zie nog het beeld van een vader die in een wolk van sigarenrook zat te schrijven. Ik keek ontzettend naar hem op. Wie wil er nu zo graag werken? Ik heb hem een beetje nageaapt. Mijn vader zei altijd tegen mijn moeder: “Eerst het werk, dan het meisje!” Bij mij is het precies hetzelfde. Alles is werken. Werken is liefhebben en liefhebben is werken. Luie minnaars, daar kun je van op aan, dat wordt niks met die verhouding.’

En dan het tweede thema: de natuur Jaap vat aan het einde van dat andere basiswerk van hem, De Mens aan de Grens uit 1985, zijn basisideeën zelf samen. Drie huizen heeft hij bewoond, schrijft hij. Het eerste, het protestantse, was het milieu waarin hij als kind opgroeide. Hij verliet dat huis als jongeman omdat wetenschappelijke opleiding hem van alle ingeprente geloofswaarheden verwijderde. Zijn tweede woonst was die van de humanisten, de bewuste niet-gelovigen die de autonomie van de mens verdedigen. Maar onaanvaardbaar vond hij het bekrompen humanisme dat de mens verheft tot de enige maat van alle dingen. Daaruit ontstond namelijk een onverantwoorde natuurmanipulatie, een ecologische destructiezucht waarvan de rampzalige gevolgen sinds decennia merkbaar zijn. Daarom: niet de mens maar de totaliteit is de maat van alle dingen. In het derde huis, dat van het socialisme – niet te verwarren met de sociaaldemocratie, zegt hij uitdrukkelijk – is hij blijven wonen. Op voorwaarde dat in de socialistische visie ook de planetaire totaliteit, met alles wat daarin leeft, de waarde krijgt die haar toekomt.

Jaap wou een andere verhouding met planten en dieren waarmee hij zich almaar dieper verbonden voelde. Daarom omarmde hij de oude beuk in zijn tuin als een goede vriend. Daarom wilde hij na een boekvoorstelling of een lezing geen boeket snijbloemen. Nee, dankjewel, want wat zijn snijbloemen anders dan gedood leven dat nog even, voor het vergaat, in een vaas mag pronken? En dan volgde de beruchte oneliner: ‘Ook de bloemenwinkel is een slachterij.’ Er valt volgens Jaap tegenwoordig niet meer gezond te winkelen omdat ‘het antropocentrisme alles heeft verpest en ervoor heeft gezorgd dat weinigen dat merken.’ En dan, wat bezorgd, de vraag: ‘Ben ik daarom sentimenteel geworden?’
Het antwoord formuleert hij zelf: het is alleen maar een kwestie van redelijkheid. Citaat:

‘Redelijk zijn, dat is mijn beroep. Een filosoof is met de rede bezig. Maar op zich is de rede niks. Het moet met het hart verbonden zijn. Het hart, wat een romantisch woord. Het hart is niets anders dan de behoefte zichzelf in stand te houden. Uiteindelijk is de rede maar een ontwikkeld instrument om de behoeften van je hart te dienen.’

Wie bij Jaap en zijn vrouw Els thuis was uitgenodigd, kreeg om te beginnen, in de prachtige bibliotheek van zijn huis, een soort artistiek aperitief aangeboden. Dan luisterden we samen naar een lied op een cd of naar een tekst die Jaap vooraf had uitgekozen. Als poëtische en muzikale ziel was ik daar op gebrand. Jaap heeft me ooit een lied laten horen over de rozelaar, van Paul Dessau, op tekst van Bertolt Brecht. Gezongen door de Internationale Nieuwe Scène. Een rozelaarsgedicht dat tegelijk een liefdesliedje is en een lied over de dialectiek. Het is heel kort. De tekst gaat zo:

Sieben Rosen hat der Strauch Sechs gehören dem Wind Aber eine bleibt, dass auch Ich noch eine find.

Sieben Male ruf ich dich Sechsmal bleibe fort Doch beim siebten Mal, versprich Komme auf ein Wort.

In het Nederlands:

Zeven rozen heeft de struik Zes zijn er voor de wind Maar ééntje blijft, dat ook Ik er nog een vind.

Zeven keren roep ik je Blijf zes keren voort Maar dan, beloof het me, Kom dan op één woord.

De rozelaar is hier niet alleen rozelaar, maar ook metafoor. De metafoor voor de belofte: ‘versprich’, ‘beloof’, schrijft de dichter. En rond die belofte schommelt het evenwicht tussen het ich en het dich, acht korte versregeltjes lang. Tot in het rijm: wind - find, fort - wort, dich - versprich. De rozelaar en de d
ialectiek als aperitief bij Jaap. De rozelaar en het spel van tegenstellingen (bleibe fort - komme) en van veelvuldige ontkenning: sechsmal.
De dialectiek, de eenheid der tegendelen en van de elkaar wederzijds uitsluitende, tegengestelde tendensen in alle natuurverschijnselen en in alle natuurlijke processen. Positieve en negatieve getallen in de wiskunde, actie en reactie in de mechanica, verbinding en dissociatie in de scheikunde, klassen en klassenstrijd in de sociale wetenschap.

We zijn beland bij ons derde en laatste thema: het antikapitalisme van Jaap
Een van de eerste zinnen van Arbeid en Lust luidde al: ‘Aan Marx heb ik veel te danken. Door hem ben ik tot in het merg antikapitalistisch geworden.’ Dat is Jaap Kruithof tot het einde van zijn leven gebleven.

Onze tijd, de tijd van het neoliberalisme, gelooft dat ze de grote verhalen achter zich heeft gelaten, dat er geen geloofwaardige omvattende ideologieën of wereldbeelden meer bestaan. Ze zegt: Kijk maar naar de versmelting van sociaalliberalisme en sociaaldemocratie, of naar de ontkerkelijking. Ze wijst naar de val van het Oostblok om er het failliet van het socialisme van te maken… en het te vervangen door cynisme.
Jaap Kruithof ging niet liggen voor die neoliberale dictatuur. Hij maakte een nieuw magnum opus om uit de doeken te doen hoe die deconstructie alleen maar dient om dat andere grote verhaal buiten beschouwing te houden: het kapitalistische wereldsysteem. Zijn boek Het Neoliberalisme verscheen in 2000. 528 bladzijden afgrijzen voor de kolonisering van het leven en het denken onder het neoliberale regime.

Citaat:

‘Nooit, nooit was er in de wereldgeschiedenis zo’n schrijnende ellende, zoveel ontoelaatbare onrechtvaardigheid, zo’n gebrek aan zorg, zoveel geweld en onderdrukking. De wereld is een stinkende puinhoop geworden. (...) De hele rotzooi woekert maar voort. Alles wat mooi is en waarde heeft, wordt kapot gemaakt. Het neoliberalisme vernietigt onze toekomst. Het vernietigt de schoonheid. Het vernietigt het milieu. Het vernietigt de mens. Het vernietigt alles. De hele pers is in handen van het neoliberalisme. Alles en iedereen wordt McDonald’s en Coca Cola.’

Toch was dat voor Jaap Kruithof geen reden om de handen in de schoot te leggen. Integendeel. Hij werkte voort met voor zich het perspectief van de lange adem van de geschiedenis. Heeft de geschiedenis niet een punt bereikt waarop we stilaan over de kennis, de technologie en het organisatievermogen beschikken om ons doelen te stellen die vroeger onbereikbaar waren? ‘De toekomst is minder donker dan veel mensen met hersenen, maar sociaal passieven zichzelf wijsmaken,’ placht Jaap te zeggen. Zijn logica was: het kapitalisme is in zijn diepste wezen zo onmenselijk dat het uiteindelijk door de mens zelf zal opgeruimd worden.
In 1990, na de val van de muur, schreef hij:

‘Voor de wanhopigen, de ontmoedigden, de gedemoraliseerden die het niet meer zien zitten, blijft er een boodschap: na de modellen die nu bezwijken, zullen er nieuwe komen. Als socialisten hier verslagen worden, duiken ze noodzakelijkerwijze elders op. Omdat het kapitalisme niet in staat is wat dan ook fundamenteel op te lossen.’

De wereld van morgen! Hoe het land de toekomst aanzeggen? Hoe onze verbeelding en intelligentie gebruiken om de wereld van morgen al te bespeuren boven en in de mist van de huidige crisis? Hoe de samenleving en de natuur bevrijden uit de wurggreep van een financieel-industriële oligarchie? We hebben verbeeldingskracht nodig. En debat. Veel debat. Om de samenleving van morgen te dromen moeten we wel buiten de lijntjes van het alledaagse pragmatisme durven kleuren.
Samenleven kan je niet alleen. Over de samenleving van morgen denken, ook niet. Het debat is open!

Tot slot

Drie jaar geleden is Jaap overleden. Naast diepe rouw maakte zich toen ook opluchting voelbaar. De ‘prediker in de verkeerde woestijn’ was weg. Jarenlang had het establishment de criticus met de verkeerde tijdsgeest mediatiek verbannen. Die im Dunkeln sieht man nicht. Ik meen hem bij het heengaan even te hebben zien omkijken. Een laatste blik op het heir dat hij zo gegeseld had, dat hem jaren had doodgezwegen als ‘dwarsligger’ en ‘buitenbeentje’ en dat hij niet langer ongemakkelijke dingen in het gezicht kon smijten.

Jaap Kruithof sprong regelmatig binnen op de uitgeverij. Twee hoog moeizaam en amechtig de trappen op, om te overleggen over werk en wereld. We keken altijd uit naar die breekmomenten. Hij vertelde dan ook over zijn kinderen en kleinkinderen. En over zijn vrouw Els. Hoe goed het was haar ’s nachts vertrouwd naast zich te voelen, terwijl hij zijn overpeinzingen ontrafelde alsof het in de war geraakte netten waren.

Er hangt boven de kopieermachine van de uitgeverij al jaar en dag een foto met daarop enkele dames die in een grote kantoorruimte elk aan een ouderwetse tikmachine zitten en daarbij driftig dikke kauwgombellen blazen. Er is een onderschrift bij die foto, een citaat van Maxim Gorki. Dat gaat zo: Wenn die Arbeit ein Vergnügen ist, wird das Leben zur Freude.



PDF - 275.6 kB
Word - 49.5 kB
Word - 41 kB
Word - 69 kB

(Met dank aan Anna Luyten en Peter Mertens voor sommige passages.)
Hugo Franssen, redacteur EPO

Alle foto’s van Eric Goeman, Rudy De Leeuw, Francine Mestrum en Hugo Franssen zijn van fotograaf Willy Dee, waarvoor onze dank.

Omdat een andere wereld mogelijk is, Eric Goeman, woordvoerder Attac Vlaanderen Eric.goeman@attac.be
vl.attac.be


Spip-redacteur:   jurgen
 

Reageer op dit artikel

 
In- & Uitschrijven
Zand in de machine




Attac persberichten




Kalender
« Februari 2018 »
M D W D V Z Z
29 30 31 1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 1 2 3 4
 
Trefwoorden
 
 Attac Vlaanderen  |  Statistieken  |  Privé-ruimte  |  Alle rubrieken  |  Alle documenten

Verwittiging - De gepubliceerde documenten weerspiegelen, tenzij anders vermeld, niet noodzakelijk het standpunt van Attac Vlaanderen. Zij zijn de standpunten van hun auteur(s) en eventueel van werkgroepen of andere organisaties. Dat de documenten hier gepubliceerd worden is omdat wij willen meegenieten van beschikbare ideeën en expertises om samen onze toekomst te heroveren en aan die andere mogelijke wereld te werken.

Logo Creative Commons
Alle teksten van deze site mogen gebruikt en gecopiëerd worden onder de voorwaarden van toepassing van de Creative Commons Licentie.