Attac logo
Associatief netwerk voor een Taks op financiële Transacties
en voor het Aansterken van de Civiele maatschappij
Beginpagina    Notenkraker(s)    Er is geen nood aan een basisinkomen.   
| thema: arbeid , armoede , sociaal forum  |
 

Er is geen nood aan een basisinkomen.

Vijf beleidsmaatregelen om het gevaar van door technologie veroorzaakte werkloosheid te counteren.

> Henning Meyer - gepubliceerd op 14 april 2017

De mogelijke dreiging van werkloosheid die door technologische toepassingen veroorzaakt wordt, is heden een van de hevigst bediscussieerde economische kwesties binnen besturen en binnen vakbonden, maar ook meer en meer onder beleidsvoerders. De verzamelterm “digitaal” mag dan al de laatste jaren toegevoegd zijn aan de vele politieke concepten maar verder dan dat worden er weinig substantiële debatten gevoerd over een omvattende beleidsreactie op die dreiging. Wij weten niet of enkele meer sombere voorspellingen omtrent grootschalig jobverlies gaan uitkomen maar we weten wel dat regeringen en andere instanties er op voorbereid moeten worden voor het geval er zich op de arbeidsmarkt substantiële wijzigingen voordoen. Het weerom opduikende idee van een ‘Universeel BasisInkomen’ (U.B.I.) is de hoeksteen van beperkte beleidsdiscussies die men thans voert.

Lees verder...

Het idee is, vanzelfsprekend, niet nieuw maar nam de voorbije decennia talrijke gedaanten aan en werd voorgesteld als dé oplossing voor uiteenlopende problemen. Wat we ons hierbij afvragen is simpelweg of het U.B.I. een oplossing zou bieden om grootschalige, door technologie veroorzaakte werkloosheid of tijdelijke ontwrichtingen op de arbeidsmarkt op te vangen die door versnelde technologische toepassingen worden veroorzaakt.

Als wij de kwestie in detail onderzoeken, wordt duidelijk dat een basisinkomen niet veel van die problemen zou oplossen. Daar zijn meerdere redenen voor: Ten eerste. Een basisinkomen zou de waarde van arbeid herleiden tot louter het verwerven van inkomen. Ik weet dat velen niet akkoord gaan met dat argument maar ik zie het als volgt: Een inkomen ontvangen is vanzelfsprekend een doorslaggevend argument om te gaan werken maar het sociale aspect van arbeid is eveneens essentieel. De sociale waarde, door werk verschaft, is een essentiële bron van zelfwaardering. Arbeid geeft daarenboven de mensen structuur aan hun leven en een rol binnen de samenleving. Werkloosheid houdt ook een gevaar in voor eroderende effecten: als mensen met een basisinkomen de arbeidsmarkt verlaten en geruime tijd met dat basisinkomen rondkomen, verminderen sterk hun kansen op reïntegratie via de arbeidsmarkt. Versnelde technologische verandering zal wellicht de eerdere vaardigheden achterhaald maken en daardoor zou de mogelijkheid om weerom werknemer te worden ook snel verdwijnen, wat afhankelijkheid van een basisinkomen zou bestendigen. De kwestie van ongelijkheid komt hier naar voren. Een basisinkomen voor iedereen zou niet verhinderen dat in een digitale economie sommigen bijzonder goed gaan presteren terwijl de anderen achter blijven. Een ander argument, dikwijls naar voor gebracht in het kader van een basisinkomen, is dat wie meer geld wil dan het basisinkomen biedt, het aantal werkdagen kan beperken volgens zijn of haar noden. Als werkloosheid het gevolg is van technologische evolutie is die optie echter niet meer voorhanden want grootschalige achteruitgang van werkgelegenheid doet zulke mogelijkheden tot verkorte tewerkstelling teniet. De digitale economie zou dus een nieuwe onderklasse met zich mee brengen die vast zit aan een basisinkomen, met daarnaast een economische elite die van de grootste inkomens zou genieten. Die elite zou zich vrijgesteld voelen van sociale verantwoordelijkheid met betrekking tot hen die uit de boot vallen, en dit waarbij ideeën rond basisinkomen gewoonlijk gepaard gaan met invoering van een ‘flat-tax’ en met afschaffing van welzijnsvoorzieningen door de overheden. Een bepaalde versie van basisinkomen algemeen toekennen zou ook een slechte besteding zijn van de schaarse staatsinkomsten. Basisinkomen kan direct uitbetaald worden of het kan via equivalente vermindering van de te betalen belastingen. Het is daarbij zeer onwaarschijnlijk dat alle fondsen die uitbetaald werden aan mensen die het niet nodig hebben, gerecupereerd zouden kunnen worden via een hervormde belastingregeling wanneer de berekeningen van bij te dragen belastingen gebeuren volgens de huidige belastingregelgeving. Tenslotte zouden er stekelige kwesties kunnen opduiken wanneer inwijkelingen in aanmerking zouden komen voor het basisinkomen. Hoe zou in het geval van Europa een dergelijk systeem compatibel kunnen zijn met de vrijheid van beweging en de non-discriminatieregels binnen de Europese Unie? In vele landen zouden daarenboven de vigerende pensioenbepalingen voor werknemers niet gemakkelijk afgeschaft kunnen worden - de vervanging ervan zou ook een mogelijk maatregel kunnen zijn van de invoering van een basisinkomen - want die regelingen zijn ondersteund door strikt wettelijk verankerde rechten. Gezien al die redenen lijkt een basisinkomen voor het beleid geen adequate oplossing te bieden om de bedreiging veroorzaakt door technologisch geïnduceerde werkloosheid op te vangen.

Wat zou er in plaats daarvan wel kunnen werken?

Een beleidsagenda gebaseerd op de vijf volgende hoekstenen zou een meer omvattende en aangepaste oplossing kunnen bieden: Ten eerste, en vooral, moet het onderwijs duidelijk meer dan nu het geval is, aangepast worden aan de nieuwe economische realiteiten. Het onderwijs zou minder gericht moeten zijn op geheugenwerk. In plaats van het louter onthouden van informatie zou de focus meer moeten verschuiven naar het vormen van inzichten op basis van die informatie en ook op het aanleren van creatieve, analytische en sociale vaardigheden. Technische vaardigheden zouden immers snel voorbijgestreefd kunnen zijn maar creativiteit, vermogen tot aanpassing en tot permanent leren zullen altijd waardevol blijven. Ten tweede zou, in het geval er grootschalige ‘technologische’ werkloosheid ontstaat, herverdeling van de resterende arbeid een eerste maatregel moeten zijn. Die zou niet noodzakelijk leiden tot de 15-uren-week die John Maynard Keynes in het verschiet dacht te zien voor zijn kleinkinderen, maar zulk een beleid zou zinvol zijn en, waar mogelijk, een eerste evenwicht herstellende maatregel. Ten derde zouden van overheidswege beleidsvoerders moeten denken over tewerkstelling-garanties ter aanvulling van de normale arbeidsmarkt. Het garanderen van betaalde activiteiten zou doeltreffend zijn wanneer traditionele jobs verloren gaan. De getroffenen zouden zo actief blijven en hun vaardigheden blijven toepassen. Indien de staat als “ultieme werkgever” zou optreden dan zou dit de pijnlijke gevolgen van jobverlies helpen vermijden en zou dat ook op een actieve manier bijdragen tot de groei van vaardigheden. Herkwalificering en oefening zouden de basisdoelstellingen van de gegarandeerde activiteiten moeten zijn. Aangezien een dergelijk plan de betaling van de gegarandeerde activiteiten zou loskoppelen van de soort activiteit, zou dit in handen van de overheid een bijkomend beleidsmiddel bieden om sociaal nuttige activiteiten te bevorderen. Een jobgarantie zou bijvoorbeeld effectief kunnen gebruikt worden om gezondheids- en zorgsectoren te verbeteren aangezien die, volgens de demografische trends, in de toekomst meer op menselijke arbeid beroep zullen moeten doen. Een jobgarantie zou eveneens kunnen toegepast worden als steun aan lokale sport- en cultuuractiviteiten en zo in gemeenschappen de sociale cohesie bevorderen. In zo’n systeem van jobgarantie zouden overheidsinstellingen en verschillende tussenschakels voor de begeleiding zorgen. Het gaat hier wel niet over het invoeren van een planeconomie. Het idee van jobgarantie steunt op de veronderstelling dat wij, wanneer traditionele jobs verdwijnen of als er perioden aanbreken van werkloosheid bij transities, niet zonder ideeën zullen vallen over de soorten van sociaal nuttige activiteiten waarin wij ons kunnen engageren. De vierde hoeksteen voor een dergelijk programma betreft de manier om zo een soort beleid te financieren. Het is zeker nodig om de manieren van belasten te herdenken, met een verbreding van de belastbare basis. Dat alleen zou echter onvoldoende, scheeftrekkend of beide zijn. Als wij werkelijk naar een wereld evolueren waarin het meeste werk door robots wordt gedaan, dan is de fundamentele vraag: “Wie bezit de robots?”. Daarmee belanden we bij het vijfde en laatste punt: de democratisering van kapitaalbezit. Als de eigenaars van robots winnaar worden in die digitale ‘brave new world’ dan zouden zoveel mensen als mogelijk zelf bedrijfsaandelen moeten bezitten. Dat kan individueel en op macroniveau. Op het niveau van ondernemingen zou bijvoorbeeld het gemeenschappelijk arbeiders-aandeel onder de tewerkgestelden kunnen verdeeld worden zodat de arbeiders minder afhankelijk worden van enkel het loon. Op macroniveau zouden speciale financiële entiteiten kunnen gecreëerd worden om kapitaalopbrengsten te her-socialiseren. Autonome investeringsfondsen zouden zich bijvoorbeeld kunnen toeleggen op steun aan universiteiten of aan onafhankelijke welzijnsfondsen. Die investeringsfondsen zouden ook voor de overheid nieuwe inkomsten genereren waarmee jobgarantie kan gefinancierd worden. Het kernidee van het basisinkomen is gebaseerd op een vrijheidsstreven binnen de gemeenschap. Een implementatie van het basisinkomen zou veel aspecten van ons dagelijks leven die thans nog steeds collectief georganiseerd zijn, individualiseren. Daar tegenover zouden de verschillende beleidsmaatregelen zoals hierboven geschetst niet alleen echte bescherming bieden tegen de mogelijke, negatieve gevolgen van de digitale revolutie maar daarenboven zouden ze middelen creëren die gemeenschappen versterken en ongelijkheid verminderen. Het debat over antwoorden door het beleid op de digitale revolutie zal een van de meest cruciale discussies worden in de komende jaren. Het basisinkomen is er slechts één van - een zeer problematisch idee voor de redenen hierboven aangegeven. Er zijn ook andere manieren denkbaar om die problemen aan te pakken.

Henning Meyer is Editor-in-Chief of Social Europe and a Research Associate of the Public Policy Group at the London School of Economics and Political Science. He is also Director of the consultancy New Global Strategy Ltd. and frequently writes opinion editorials for international newspapers such as The Guardian, DIE ZEIT, The New York Times and El Pais.

Met dank aan Social Europe en voor de vertaling Jan De Coninck. Omdat een andere wereld moet, Eric Goeman, woordvoerder Attac Vlaanderen


Spip-redacteur:   jurgen
 

Reageer op dit artikel

 
In- & Uitschrijven
Zand in de machine




Attac persberichten




Kalender
« November 2017 »
M D W D V Z Z
30 31 1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 1 2 3
 
Trefwoorden
 
 Attac Vlaanderen  |  Statistieken  |  Privé-ruimte  |  Alle rubrieken  |  Alle documenten

Verwittiging - De gepubliceerde documenten weerspiegelen, tenzij anders vermeld, niet noodzakelijk het standpunt van Attac Vlaanderen. Zij zijn de standpunten van hun auteur(s) en eventueel van werkgroepen of andere organisaties. Dat de documenten hier gepubliceerd worden is omdat wij willen meegenieten van beschikbare ideeën en expertises om samen onze toekomst te heroveren en aan die andere mogelijke wereld te werken.

Logo Creative Commons
Alle teksten van deze site mogen gebruikt en gecopiëerd worden onder de voorwaarden van toepassing van de Creative Commons Licentie.