![]() Associatief netwerk voor een Taks op financiële Transacties
en voor het Aansterken van de Civiele maatschappij |
||
|
Beginpagina
700. onze dossiers
liberalisering en privatisering
Neoliberale globalisering en hoger onderwijs: de GATS
|
||
Neoliberale globalisering en hoger onderwijs: de GATSConcurreren zal geld kosten> Stijn Oosterlynck - gepubliceerd op 17 juni 2003"De GATS is niet zomaar een akkoord tussen regeringen. Het is eerst en vooral een instrument van het bedrijfsleven". - GATS informatiepunt op website van de Europese Commissie "Onderwijs is rijp voor liberalisering". - Michel Servoz, GATS-onderhandelaar bij de Europese Commissie Hoe een markt te creëren... Het doel van de Bologna-verklaring is de creatie van een ’Europese Hoger Onderwijs Ruimte’. Deze Europese hervorming wil een begin maken aan de harmonisering van het Europese hoger onderwijs. In het officiële discours wordt dit gekaderd binnen de internationalisering van het hoger onderwijs. En hoe kun je nu tegen meer internationale samenwerking en mobiliteit van studenten, onderzoekers en lesgevers zijn ? Een blik op de internationale politiek-economische context waarin de Bologna-hervorming plaatsvindt maakt echter duidelijk dat het hoger onderwijs niet zomaar gelijk welke internationalisering doormaakt. Wat in het officiële discours internationalisering heet is een heel specifieke vorm van internationalisering. Het is de complete vermarkting of commodificatie van het hoger onderwijs. Achter de ’Europese Hoger Onderwijs Ruimte’ gaat een ’Europese Hoger Onderwijs Markt’ schuil. Om een markt te creëren moet je gestandaardiseerde producten hebben. Marktcompetitie kan immers enkel werken als de consument verschillende producten kan vergelijken en op basis daarvan een keuze maakt voor een bepaald product. Onderwijs is echter van nature uit geen marktgoed. Niet alleen is het voor de student/e moeilijk om voor de ’aankoop’ (betalen inschrijvingsgeld) in te schatten in hoeverre het onderwijs aan zijn of haar behoeftes zal voldoen, onderwijs is ook moeilijk te standaardiseren. Het is zo’n veelomvattend fenomeen dat je niet meteen kan gaan vergelijken. Maar toch probeert men overal ter wereld het onderwijs te reduceren tot een marktproduct. Australië en de VS zijn hier marktleiders. Europa hinkt achterop. Dat heeft veel te maken met het feit dat ieder nationaal onderwijssysteem een verschillende structuur heeft, dat het moeilijk is in te schatten hoe de in verschillende landen en universiteiten verkregen kwalificaties zich tegenover elkaar verhouden en dat er verschillende talen gesproken worden. Dit alles bemoeilijkt de efficiënte promotie van het Europese hoger onderwijs op de internationale hoger onderwijsmarkt. Om Europa beter te positioneren op deze groeimarkt werd de Bologna-verklaring uitgeschreven. Daarin werd vastgelegd hoe de verscheidenheid van de verschillende Europese nationale onderwijssystemen in een keurslijf gedrongen kon worden. Concreet komt het erop neer dat het raamwerk voor diploma’s gelijkgeschakeld wordt in de zogenaamde BaMa-structuur (Bachelor/Master), diploma’s compatibel en vergelijkbaar gemaakt worden, opleidingen opgedeeld worden in kredieten (wat meer marktgerichte flexibiliteit toelaat) en opleidingen door een internationale commissie ge-accrediteerd worden. Maar waar de Bologna-verklaring het Europese hoger onderwijs vooral vormelijk klaarmaakt voor liberalisering of anders gezegd het voorbereidende terreinwerk is, houdt het Algemene Akkoord voor de Handel in diensten, beter gekend als GATS (General Agreement on Trade in Services), het serieuze werk van het doorbreken van het overheidsmonopolie op het hoger onderwijs in. Sommige verdedigers van Bologna-verklaring kunnen opwerpen dat deze ons toestaat de dreiging van de GATS op afstand te houden en zelf de hervorming van ons hoger onderwijssysteem in handen te houden , maar zullen na het lezen van dit artikel moeten toegeven dat deze hervorming, ongeacht hun intenties, grotendeels in de lijn ligt met de liberalisering van de onderwijssector, eerder dan deze af te blokken. De GATS: steeds verder liberaliseren In 1995 werd de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade), de organisatie die sinds de conferentie van Bretton Woods in 1948 de liberalisering van de handel in goederen promootte, omgevormd tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO). In tegenstelling tot de GATT ging de WHO zich ook expliciet met de liberalisering van de handel in diensten bezighouden. Het kader daarvoor werd vastgelegd in de GATS, een van de deelakkoorden van het WHO-verdrag (annex 1B) . De doelstelling van de GATS is via een reeks opeenvolgende onderhandelingsrondes de internationale handel in diensten steeds verder te liberaliseren of open te stellen voor marktcompetitie (part IV). Artikel XIX van het GATS-verdrag verplichtte de WHO-lidstaten ten laatste vijf jaar na het oprichten van de WHO een nieuwe onderhandelingsronde te starten, in 2000 dus. Het zogenaamde ’GATS 2000’ plan mislukte echter toen de WHO-onderhandelingen in Seattle in 1999 ineenstortten. De WHO spartelde echter door de crisis heen en op de WHO-top in Doha (Qatar) in 2001 slaagde men erin een nieuwe onderhandelingsronde, de zogenaamde Doha Ontwikkelingsronde , op te starten. De GATS-onderhandelingen zijn een belangrijk onderdeel van de Doha Ontwikkelingsronde. Het GATS-verdrag heeft betrekking op alle diensten (Artikel I.1) en op alle wetgeving of die nu op nationaal, regionaal of lokaal niveau ingesteld werd (Artikel I.3). De handel in diensten omvat vier verschillende manieren van aanlevering (’modes of supply’, zie Artikel I.2): geleverd over de grenzen heen (bv. afstandsonderwijs dat door Amerikaanse universiteit via het internet aan Belgische student geleverd wordt); geleverd aan consument van één bepaalde lidstaat binnen het territorium van een andere lidstaat (bv. een Belgische student die in het buitenland gaat studeren); geleverd door instelling uit één bepaalde lidstaat door commerciële aanwezigheid in andere lidstaat (bv. Belgische student die aan Belgische afdeling van Amerikaanse universiteit studeert) geleverd door een persoon uit één bepaalde lidstaat die werkt in instelling in andere lidstaat (bv. Belgische student die les krijgt van professor uit India). ’Niet discrimineren’ is de boodschap Alle regels of principes in het GATS-verdrag zijn erop gericht ’discriminatie’ tegen buitenlandse dienstenleveranciers tegen te gaan (de term ’niet-/discriminatie’ is trouwens een mooi voorbeeld van hoe verregaande en gevaarlijke regels mooi en aantrekkelijk ingepakt worden). Er zijn twee soorten regels, namelijk algemene regels die automatisch voor elke dienstensector gelden (’top-down rules’) en specifieke regels die enkel gelden voor die sectoren waarin de lidstaat zich tot liberalisering engageert (’bottom-up rules’). De algemene regels zijn het voorwerp van multilaterale onderhandelingen (onderhandelingen met alle lidstaten samen), terwijl de specifieke regels bilateraal (tussen twee lidstaten onderling) onderhandeld worden. Ik ga hieronder eerst in op de belangrijkste algemene regels (Deel II). Een eerste algemene regel is de ’meest begunstigde natie’-clausule (most favoured nation, MFN; Artikel II). Deze clausule houdt in dat iedere WHO-lidstaat dezelfde behandeling te beurt moet vallen en met andere woorden de behandeling van de meest begunstigde natie moet krijgen. Het is mogelijk sectorale uitzonderingen (’exemptions’) op deze en andere algemene regels te krijgen (niet op specifieke regels), maar dat moest gebeuren bij het ondertekenen van WHO-verdrag in 1995 en deze uitzonderingen blijven enkel geldig tot 2005. Een belangrijke vraag is dan ook wat er zal gebeuren met regionale handelsakkoorden zoals de Europese Unie of NAFTA die per definitie bepaalde lidstaten bevoordelen. Een andere algemene regel heeft betrekking op transparantie (Artikel III) en houdt in dat lidstaten alle informatie over oude en nieuwe wetgeving moeten publiceren zodat andere lidstaten zich ervan kunnen vergewissen dat de WHO-regels niet overtreden worden. Een derde, enorm belangrijke en verstrekkende algemene regel gaat over ’binnenlandse regelgeving’ (’domestic regulation’, Artikel VI) . Het artikel stelt dat technische standaarden, licenties en kwalificaties geen ’onnodige hindernissen’ voor de handel in diensten mogen vormen en niet ’meer belastend’ mogen zijn dan noodzakelijk is voor de kwaliteit van de dienst. Dit is een van de meest controversiële aspecten van het GATS-verdrag. Het ondermijnt de soevereiniteit van nationale staten om wetgeving uit te vaardigen, maakt sociale en milieuwetgeving ondergeschikt aan wat voordelig is voor de internationale handel en geeft de macht om te beslissen welke wetgeving ’noodzakelijk’ en ’niet meer handelsbelemmerend dan nodig is’ uit handen aan een kleine groep handelsrechters in de WHO (WHO Dispute Settlement Body) die bij meningsverschillen hieromtrent het laatste woord heeft. In de huidige onderhandelingsronde wordt deze regel in multilaterale onderhandelingen verder uitgewerkt in de zogenaamde ’noodzakelijkheidstest’ . De noodzakelijkheidstest houdt in dat lidstaten moeten bewijzen dat nieuwe wetgeving noodzakelijk is om een ’legitieme doelstelling’ (volgens de WHO-rechters) te bereiken en dat er geen minder handelsbelemmerende maatregel mogelijk was. Dit betekent bijvoorbeeld dat het opleggen van quota’s aan bedrijven om een bepaald aantal vrouwen, lokale werklozen of migranten in dienst te nemen als meer handelsbelemmerend dan nodig beschouwd kan worden. Het geven van belastingsvoordelen als stimulans is immers minder handelsbelemmerend. Of het even effectief is, valt uiteraard zwaar te betwijfelen. Volgens een analyse van Michelle Swenarchuk van de 11 bekende gevallen in het internationaal handelsrecht waarin die noodzakelijkheidstest gebruikt werd om een meningsverschil te beslechten, werd slechts één overheidsmaatregel (over asbest) gerechtvaardigd geacht. De andere tien maatregelen, genomen door democratisch verkozen regeringen, moesten op last van de nota bene nergens verantwoording verschuldigd zijnde WHO-rechtbank geschrapt worden. Dat belooft weinig goeds voor de GATS-impact op de onderwijssector. Accreditaties van onderwijsinstellingen, diploma’s, quota’s voor het opnemen van bepaalde groepen studenten, ... vallen allemaal onder dit ’binnenlandse regelgeving’-principe. De WHO ontkent in alle toonaarden dat het de lidstaten onmogelijk maakt nog langer soeverein wetgeving op te stellen. Zo wijzen ze erop dat ’het recht op reguleren’ in het verdrag ingeschreven staat. Dat is correct, maar doordat het in de inleiding tot het verdrag staat is het niet legaal bindend, terwijl het ’binnenlandse regelgeving’-principe dat wel is. Ook het feit dat het GATS-verdrag een aantal algemene uitzonderingen toelaat om het algemeen belang te vrijwaren (Artikel XIV en XIVbis) biedt weinig soelaas. Het Artikel stelt immers duidelijk dat deze uitzonderingen geen verborgen handelsbelemmeringen mogen zijn en de WHO-rechtbank heeft het algemeen belang in het verleden in de meest enge zin geïnterpreteerd . Een laatste belangrijke algemene regels heeft betrekking op subsidies (Artikel XV). Volgens het verdrag verstoren subsidies dikwijls de internationale handel en moeten de lidstaten onderhandelen over een oplossing voor dit ’probleem’. Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat er nog geen GATS-regels gelden voor subsidies, maar dat is niet zo. Subsidies worden beschouwd als maatregelen die onderhevig zijn aan de MFN-clausule waarover ik hoger al schreef. Specifieke regels: streven naar een complete liberalisering Naast algemene regels, zijn er ook twee specifieke regels. In tegenstelling tot de algemene regels die automatisch voor alle dienstensectoren gelden, gelden deze specifieke regels gelden pas voor een bepaalde sector wanneer een lidstaat zich daartoe engageert. Er zijn twee specifieke regels. De eerste is de markttoegang-regel (’market access’; Artikel XVI). Indien een lidstaat er zich toe engageert een bepaalde sector te liberaliseren, dan kan ze voor deze sector geen limieten plaatsen op het aantal diensteninstellingen dat een bepaalde dienst aanbiedt of bepalingen opleggen over hoe die diensten geleverd worden. Als een lidstaat bv. beslist het privaat onderwijs te liberaliseren, dan mag ze niet vastleggen hoeveel scholen er in een bepaalde regio zijn. Dit zal onvermijdelijk leiden tot een verhevigde concurrentie voor studenten. Concurreren kost geld en impliceert per definitie een verspilling van middelen aan bijvoorbeeld reclame- en imagocampagnes die het onderwijs op zich niet beter maken, maar wel gigantische budgetten opslorpen. Het gevolg is dat onderwijsinstellingen geneigd zullen zijn hun inschrijvingsgelden op te trekken om ’competitief’ te kunnen blijven, een evolutie die in Groot-Brittannië al langer aan de gang is, en privaat kapitaal binnen te halen, met alle gevolgen van dien voor hun onafhankelijkheid. De markttoegang-regel betekent bovendien dat overheden geen beperkingen mogen plaatsen op het percentage buitenlands kapitaal. Het is dus mogelijk dat de controle over onderwijsinstellingen volledig in de zetel van een buitenlandse multinational gaat liggen. De tweede regel is het ’nationale behandelings’-principe (Artikel XVII). Dat principe houdt in dat buitenlandse dienstenleveranciers minstens even goed behandeld moeten worden als binnenlandse. De overheid mag buitenlandse leveranciers wel bevoordelen boven binnenlandse. Het gevolg is dat nationale en lokale overheden een belangrijk instrument verliezen om lokale ontwikkeling te stimuleren. Onder de ’nationale behandelings’-regel zal het immers niet langer toegelaten zijn lokale dienstenleveranciers of werknemers (bv. als deel van werkgelegenheidsprogramma) te bevoordelen. De onderhandelingen over engagementen tot het liberaliseren van specifieke dienstensectoren worden bilateraal gevoerd en bestaan uit twee fases. In een eerste fase stelt iedere WHO-lidstaat een lijst liberaliseringsverzoeken (’requests’) aan andere lidstaten op. Deze lijst bevat een gedetailleerde lijst van regels die de lidstaat in de andere lidstaat geschrapt of aangepast wil zien zodat haar dienstenmultinationals makkelijker toegang krijgen tot een bepaalde sector. Deze eerste fase is reeds voorbij. Deze deadlines zijn echter niet zo strikt te nemen en lang daarna liepen er nog aanzoeken binnen. In de tweede fase formuleren alle lidstaten aanbiedingen (’offers’). Dat betekent dat ze te kennen geven welke sectoren ze tot welke hoogte willen openen voor concurrentie van buitenlandse diensten-multinationals. Deze fase loopt in theorie tot maart 2003. Daarna beginnen de echte bilaterale onderhandelingen. Op basis van verzoeken en aanbiedingen proberen lidstaten tot een overeenkomst te komen. Dit soort onderhandelingen functioneert op basis van geven en nemen. De ene lidstaat liberaliseert een eigen sector in ruil voor de liberalisering van een andere sector in de andere lidstaat. Belangrijk om op te merken is dat de onderhandelingen bilateraal zijn, maar de resultaten ervan door het toepassen van de ’meest begunstigde natie’-clausule gemultilateriliseerd worden. De liberaliseringen die in de onderhandelingen afgedwongen worden door één lidstaat gelden automatisch voor al de andere WHO-lidstaten. Tegen eind 2004 zou de huidige onderhandelingsronde afgesloten moeten worden. Tot slot, maar zeker niet onbelangrijk, is het feit dat de liberaliseringen die aangegaan worden binnen het GATS-raamwerk zo goed als onomkeerbaar zijn. Artikel XXI stelt dat lidstaten pas na drie jaar kunnen terugkomen op gemaakte engagementen en dat ze daarvoor over compensaties, meestal nieuwe liberaliseringen, moeten onderhandelen met alle betrokken lidstaten. Om de liberalisering te mogen terugdraaien moet elke betrokken lidstaat akkoord gaan over de compensaties. Onderhandelen achter gesloten deuren Dit hele proces vindt volledig achter gesloten deuren plaats. Slechts een kleine groep is op de hoogte van wat er precies aangeboden en verzocht wordt. Europees Commissaris Pascal Lamy en zijn ploeg handelsdiplomaten onderhandelen voor alle lidstaten van de Europese Unie in blok. Wat hij in naam van de Europese lidstaten precies onderhandelt met de andere WHO-lidstaten wordt eerst onderhandeld in het zogenaamde Comité 133. In dit comité zetelen diplomatieke vertegenwoordigers van de nationale regeringen. Meestal staan die in verbinding met de eerste minister en de ministeries Economie, Financiën en Buitenlandse Handel. Andere ministeries zijn dikwijls slecht of soms zelfs helemaal niet op de hoogte van wat er precies gebeurt in dit Comité 133 en de GATS-onderhandelingen in haar geheel. De nationale en Europese parlementen krijgen bijzonder weinig of geen informatie om de onderhandelingen en alles wordt in het werk gesteld opdat de documenten niet zouden doorlekken naar de civiele samenleving. De weinige documenten die onder druk vrijgegeven worden, geven geen voldoende beeld van het volledige onderhandelingsproces. Zo’n overzicht vereist dat men inzage heeft over wat alle lidstaten aan alle anderen vragen en aanbieden. Anders is het niet mogelijk in te schatten welke strategieën de verschillende onderhandelaars hanteren en wat ze op het spel willen zetten. Het enige wat tot nog toe echter vrijkwam waren samenvattingen van de liberaliseringsaanvragen. Een groep die wel heel dicht bij de onderhandelingen betrokken werd en wordt, en dit laat het ergste vermoeden, is het European Services Forum (ESF), de lobby-organisatie van de grootste Europese dienstenmultinationals. De Europese Commissie spoorde het ESF meerdere keren expliciet aan al haar wensen over te maken. De ESF werd ook regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken. Dit staat in schril contrast met de absolute geheimhouding naar parlementen en civiele samenleving toe. Volgens Pascal Lamy, is er echter niets aan de hand. Bilaterale onderhandelingen wordt ’traditioneel’ geheim gehouden, zegt hij. Dat de resultaten wel gemultilateraliseerd worden en een werkelijke democratie inhoudt dat de burger beslist wat er gebeurt met de overheidsdiensten en hoe de economie georganiseerd wordt, daar heeft Pascal Lamy geen oren naar. Openbare diensten: binnen of buiten de GATS ? Eerder schreef ik dat het GATS-verdrag van toepassing is op alle dienstensectoren. De zaak zit echter complexer als we naar publieke diensten, waaronder onderwijs, kijken. De vraag of de GATS publieke diensten omvat is een van de meest omstreden aspecten van het verdrag. Paragraaf I.3.b specifieert dat "services supplied in the exercise of governmental authority", in de volgende paragraaf verder uitgewerkt als diensten die noch op commerciële basis, noch in competitie met een of meerdere dienstenleveranciers geleverd worden, buiten het verdrag vallen. Alhoewel zowel de WHO als de Europese Commissie volhouden dat dit publieke diensten uit de GATS-onderhandelingen houdt, valt erg te betwijfelen of dit echt het geval is. In welk lidstaat zijn er geen private dienstenmultinationals actief die op een of andere manier met de overheidssector concurreren ? En betekent een beperkte directe geldelijke bijdrage aan overheidsdiensten (zoals leengeld in bibliotheken) dat deze diensten op commerciële basis geleverd worden ? Het antwoord is moeilijk in te schatten en de WHO-rechtbank zal hierin het laatste woord hebben. In een verslag van de WHO-raad voor de Handel in Diensten staat vermeld dat de uitsluiting van publieke diensten eng geïnterpreteerd diende te worden zodat niet de hele publieke sector buiten het GATS-akkoord valt . Een ander element dat laat vermoeden dat Artikel I.3 publieke diensten allesbehalve afschermt van de GATS-disciplines is het feit dat de Europese Commissie een horizontale beperking geplaatst heeft op de commerciële aanwezigheid van buitenlandse private dienstenleveranciers (mode 3) in publieke dienstensectoren in alle lidstaten. De Europese lidstaten mogen dus publieke monopolies of exclusieve licenties aan private operatoren in deze sectoren blijven behouden. Alleen al het feit dat de Commissie deze uitzondering liet registreren bij de WHO toont aan dat Artikel I.3 allesbehalve waterdicht is. Het probleem is echter dat ook deze horizontale beperking verre van afdoende is. De horizontale beperking is immers al het voorwerp van een liberaliseringsaanzoek van een andere WHO-lidstaat. Het gevaar bestaat dus dat de Europese Commissie de beperking versoepelt of uitholt in ruil voor liberaliseringen in andere WHO-lidstaten. Europees engagementen in de hoger onderwijssector De onderwijssector is tot nog toe de sector met het minst aantal liberaliseringsengagementen. De sector wordt in de WHO opgesplitst in vijf subsectoren: basis, secundair, hoger en volwassenen en ’ander’ onderwijs. De EU nam al volledige engagementen tot liberalisering in de eerste vier sectoren wat ’privaat gefinancierde onderwijsdiensten’ betreft en met uitzondering van mode 4-liberalisering. Dit laatste betekent dat lidstaten niet zomaar moeten toelaten dat werknemers uit andere WHO-lidstaten in binnenlandse onderwijsinstellingen onderwijsdiensten leveren. Mode 4-liberalisering heeft te maken met de vrije beweging van arbeidskrachten en is omwille van de publieke gevoeligheid van het immigratie-thema omstreden. Bovendien vrezen de vakbonden terecht dat onderwijsinstellingen goedkope onderwijzers en onderzoekers uit de ontwikkelingslanden zullen weghalen en zo een neerwaartse druk op de lonen en arbeidsomstandigheden in de onderwijssector zullen teweegbrengen. De EU engageerde zich dus (nog) niet om publiek gefinancierd onderwijs te liberaliseren, maar dat betekent niet dat er geen gevaren zijn. De nuance tussen publieke gefinancierd onderwijs en publiek onderwijs is erg verraderlijk. Publiek gefinancierd onderwijs impliceert immers dat niet de hele instelling privaat of winstgericht moet zijn voordat de GATS-regels erop van toepassing zijn. Ieder deel dat uitbesteedt wordt aan de private sector of (gedeeltelijk) gefinancierd wordt door de privé, of het nu over infrastructuur, catering, schoonmaak of biblioteken gaat, valt onder de GATS-regels. De toenemende toepassing van publiek-private partnerschappen en private financiering in de publieke sector is dus niet zonder gevaren en verspreid als het ware subtiel het GATS-virus in de publieke sector . In de huidige onderhandelingsronde ontving de EU minstens negen liberaliserings-aanvragen in de onderwijssector. Die aanzoeken kwamen ondermeer van de VS, Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, China, Singapore en Brazilië. Voor zover bekend zijn er (nog) geen aanvragen die betrekking hebben op de publieke onderwijssector. Maar zoals gezegd kan de situatie zich wijzigen tijdens de onderhandelingen. Recentelijk liet de Europese Commissie bij monde van Pascal Lamy weten onder meer onderhandelingen over liberalisering in de onderwijssector te zullen blokkeren omwille van het toegenomen ongenoegen en de onrust die daarover heerst bij de publieke opinie . Eerder al liet de Belgische regering weten niet te willen horen van het onderhevig maken van het onderwijs aan de GATS-disciplines . De Belgische regering wees er bovendien op dat de reeds gemaakte engagementen voor het privaat gefinancierd onderwijs gedaan zijn zonder de sector zelf te consulteren, waardoor er onvoldoende rekening gehouden werd met de specifieke eigenschappen van de onderwijssector. Ook had de Belgische vertegenwoordiger in het Comité 133 er tevergeefs op aangedrongen geen verzoek tot liberalisering in onderwijssector aan de VS te richten. Tenslotte roept de Belgische regering de Europese Commissie op geen nieuwe engagementen aan te gaan in de onderwijssector. Naar eigen zeggen wordt ze daarin gesteund door Finland, Oostenrijk en Zweden. De Europese Commissie lijkt daar nu op in te gaan. Daarmee is het gevaar nog niet geweken. Zoals gezegd staat de GATS verdragsrechterlijk voor een steeds verdergaande liberalisering van de internationale handel in diensten, dreigt de vervaging tussen publiek en privaat onderwijs het GATS-virus te verspreiden (zelfs als er geen nieuwe liberaliseringsengagementen aangegaan worden) en is het nog maar de vraag hoe betrouwbaar de beloftes zijn bij onderhandelingen achter gesloten deuren. Zolang de GATS blijft bestaan is het onderwijs dus niet veilig. Bovendien zijn er nog de onderhandelingen over horizontale regels die op elke dienstensector van toepassing zijn, ongeacht de aangegane engagementen. Die gaan niet alleen over de hierboven reeds besproken binnenlandse regulering, maar ook over subsidies (Artikel XV). De EU werd door een WHO-lidstaat gevraagd de horizontale beperking op subsidies voor onderzoek en ontwikkeling ongedaan te maken. De vrees is dat als hetzelfde gedaan zou worden voor de horizontale beperking op onderwijs, private diensteninstellingen evenveel subsidies zouden kunnen eisen als publieke onderwijsinstellingen. Het gevolg voor het publiek onderwijs zou catastrofaal zijn. Omdat de overheid geen beperkingen kan opleggen aan het aantal instellingen dat zich vestigt, zal dit leiden tot een enorme versnippering en verspilling aan middelen waardoor er een duaal systeem zou ontstaan met aan de ene kant elite-universiteiten met torenhoge inschrijvingsgelden en aan de andere kant ondergefinancierde en dus minder kwalitatieve universiteiten voor de meerderheid studenten die zich deze hoge inschrijvingsgelden niet kunnen veroorloven. Er zijn verschillende signalen die laten vermoeden dat dit geen loze fantasieën zijn. In Duitsland werd onlangs de International University of Bremen, een filiaal van de universiteit van Austin (Texas), opgenomen in het overheidsfinancieringsprogramma. In eigen land komen vooral vanuit de KU Leuven, bij monde van ’manager’ André Oosterlinck, verontrustende geluiden. België zou slechts een elite-instelling of ’centre of excellence’ kunnen dragen. Dat zou dan vanzelfsprekend Leuven moeten zijn. Oosterlinck in 1999: "als Vlaanderen wil dat de KUL uitgroeit tot één van de topuniversiteiten in Europa, dan dient de overheidsfinanciering gedeeltelijk of helemaal losgekoppeld te worden van het aantal studenten" . Met andere woorden: om de internationale concurrentie aan te kunnen moet Leuven meer geld krijgen. Overheidsgeld dan nog, want als het de vrije markt aanbidders goed uitkomt dan weten ze plots wel waar een overheid en belastingen voor dienen. Waartoe deze neerwaartse concurrentiespiraal leidt, is al duidelijk in Groot-Brittannië. Daar stond de regering de universiteiten recent toe het inschrijvingsgeld te verhogen tot maar liefst om en bij de 4.875 Euro. En reken maar dat de universiteiten daarop in zullen gaan. Concurreren kost immers geld. Of de studenten, professoren en andere werknemers er beter van worden is zeer de vraag. En de democratisering waarvoor zoveel strijd geleverd is, die moet dan maar geslachtofferd worden op het offerblok van de ’vrije’ markt. Zoals Oosterlinck in hierboven reeds geciteerde artikel stelt: "Dit lijkt in te druisen tegen de democratisering van onderwijs, maar dat is een verkeerde perceptie. Beide zijn zeer goed samen te realiseren maar allicht niet binnen een en dezelfde universiteit." Alsof een duaal systeem met aan de ene kant een aantal peperdure elite-universiteiten en aan de andere kant een hele reeks ondergefinancierde en continu naar adem happende universiteiten voor de grote massa studenten ooit ’democratisch’ genoemd kan worden. De auteur van dit artikel, Stijn Oosterlynck, is lid van attac vlaanderen.
Spip-redacteur:
stijn
|
In- & Uitschrijven
Trefwoorden
|
|
|
Attac
Vlaanderen | Statistieken | Privé-ruimte | Alle rubrieken | Alle documenten
Verwittiging - De gepubliceerde documenten weerspiegelen, tenzij anders vermeld, niet noodzakelijk het standpunt van Attac Vlaanderen. Zij zijn de standpunten van hun auteur(s) en eventueel van werkgroepen of andere organisaties. Dat de documenten hier gepubliceerd worden is omdat wij willen meegenieten van beschikbare ideeën en expertises om samen onze toekomst te heroveren en aan die andere mogelijke wereld te werken. ![]() Alle teksten van deze site mogen gebruikt en gecopiëerd worden onder de voorwaarden van toepassing van de Creative Commons Licentie. |
||